Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) / Alluviale bossen

Alluviale bossen

Inhoud van deze pagina: 

BETEKENIS
Bossen van open landschappen
Lange ontwikkelingstijd
Epifyten
Bosstructuur en voedselrijkdom van belang voor fauna

KENSCHETS
Alluviale gronden
Rijke bodem
Hydrodynamiek als sleutelfactor
Plantengemeenschappen: twee onderverbonden
Beekdalen: Vochtige Elzen-Essenbossen

Klei: Iepenrijke Eiken-Essenbossen
Habitattype en natuurdoeltype
Binnendijkse kleibossen: wat zal de toekomst brengen?
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Bossen van open landschappen
Alluviale gronden – minerale gronden met een oorsprong als sediment van rivier, beek of zee – bedekken grote oppervlakten in ons waterrijke land. De oppervlakte alluviaal bos is echter heel beperkt. Dit komt omdat we hier – net als bij de bossen op leemgrond – te maken hebben met gronden die erg geschikt zijn voor allerlei vormen van landbouwkundig gebruik. Dit geldt vooral voor de binnendijkse kleigronden. Op buitendijkse gronden spelen weer andere problemen. Zo is na 1995 de oppervlakte aan alluviale bossen in het winterbed van de rivieren verder verkleind om de stroomweerstand te verminderen. Het grootse deel van de alluviale gronden is eeuwen geleden ontgonnen en sindsdien intensief in gebruik als akker of grasland. Tot zo’n halve eeuw geleden waren de bossen op alluviale gronden dan ook vrijwel volledig beperkt tot de weinige plekken die landbouwkundig wat minder interessant waren (zoals de komgronden in het rivierengebied en de natste plekken in het klei-op-veen-landschap) en tot de landgoederen, waar het boerenbelang wat minder zwaar telde.

Lange ontwikkelingstijd
In de laatste decennia is het bosareaal op alluviale gronden en vooral op klei sterk toegenomen. Dit komt door grootschalige bosaanleg, bijvoorbeeld in de Flevopolders, maar ook door – meest veel kleinschaliger – aanleg van ‘landschappelijke beplanting’ in het kader van ruilverkavelingen. De botanische waarde van deze jonge bossen is in het algemeen nog niet erg hoog. Dit heeft onder andere te maken met het grote aanbod aan voedingsstoffen. Dit kan samenhangen met het agrarische landgebruik in het recente verleden. Kenmerkend voor veel alluviale bossen is echter ook dat zij recent een ingrijpende verandering hebben ondergaan in de hydrologie, of aangeplant zijn kort na een dergelijke ingrijpende verandering. Bedijking en/of afsluiting van rivier- en/of getijdeninvloed gecombineerd met ontwatering (ruilverkavelingen) geeft een versnelde bodemrijping en mineralisatie. Hierbij komen veel voedingsstoffen vrij. Veel van de huidige alluviale bossen worden dan ook gedomineerd door ruigtekruiden die hun voorsprong op andere kenmerkende soorten van de alluviale bossen langdurig vasthouden (primariteit). Vooral op de kleigronden geldt dat ruigtesoorten heel erg lang de vegetatie kunnen blijven domineren. Pas als de overmaat aan voedingsstoffen door de bodemfauna is vastgelegd in stabiele humus treden de ruigtesoorten terug, en krijgen de echte bosplanten een kans. Alleen …, waar moeten ze dan vandaan komen? In veel gevallen zullen er in de directe omgeving geen goed ontwikkelde bossen aanwezig zijn, wat de ontwikkeling van een compleet bosecosysteem nog verder vertraagt.

Epifyten
Alluviale bossen zijn relatief rijk aan epifytische mossoorten. Dit hangt onder andere samen met het domineren van boomsoorten met een neutrale tot basische schors (o.a. es, iep, wilg, populier) en – in zeekleigebieden – de nabijheid van de zee en daarmee een hoge luchtvochtigheid. Onderling kunnen alluviale bossen echter grote verschillen in soortenrijkdom vertonen. Deze verschillen hebben vooral te maken met de ouderdom en de beheergeschiedenis van het bos. De meeste bijzondere soorten vinden wij daar waar oude hakhoutstoven in het bos aanwezig zijn (vooral van es en/of iep). Voor een overzicht van de meest kenmerkende soorten, zie Essenhakhout.

Bosstructuur en voedselrijkdom van belang voor fauna
Kenmerken van de bossen op de alluviale gronden – en met name die in de kleilandschappen – zijn de snelle groei en de complexe bosstructuur. In natuurlijke alluviale bossen ontstaat variatie in (horizontale) structuur onder invloed van overstroming, sedimentatie en ijsgang, maar door grote grazers. Deze invloeden geven alluviale bossen hun open karakter, met zoom- en mantelvegetaties (lianen en stekelstruiken). Ook de verticale structuur is relatief complex. Van nature (dus niet als gevolg van een voormalig hakhoutbeheer) zijn er vaak meerdere boomlagen aanwezig en is de struiklaag opvallend goed ontwikkeld (en relatief rijk aan soorten!). Daarbij is er geen andere groep bossen in ons land aan te wijzen waarin klimplanten zo nadrukkelijk en in zo’n verscheidenheid aan soorten op de voorgrond treden. Dit is vooral goed te zien in de hardhoutooibossen langs de grote rivieren (zie Klei: Iepenrijke Eiken-Essenbossen). Deze complexe structuur kan al vrij vroeg in de bosontwikkeling ontstaan, vooral daar waar het bosbeheer de ruimte laat voor dynamiek en verstoring.
Mede dankzij de complexe bosstructuur kunnen alluviale bossen voor veel verschillende faunagroepen van betekenis zijn, bijvoorbeeld voor holenbroeders, roofvogels, vleermuizen, vele insectensoorten en in rivierbegeleidende bossen zelfs de bever. Een hoge faunistische waarde kan zich al relatief snel ontwikkelen, ook als de botanische waarde (nog) gering is. De overmaat aan voedingstoffen in jonge alluviale bossen, door botanici zo verfoeid, kan voor de dierenwereld zelfs interessant zijn. Zo kan bijvoorbeeld een jonge aanplant van populieren in een beekdal met een ondergroei van enkel manshoge brandnetels een belangrijk broedgebied vormen voor de Wielewaal. Wel blijkt uit onderzoek in jonge ruilverkavelingbossen dat ook de ontwikkeling van de broedvogelstand door isolatie vertraagd wordt.

KENSCHETS

Alluviale gronden
Met de term ‘alluviale gronden’ worden alle minerale (dus niet venige) gronden aangeduid die door het water zijn afgezet, in plaats van door de wind of gletsjers te zijn aangevoerd. Het gaat dan concreet om zowel rivier- als zeekleigronden, maar ook om de beekdalgronden van de pleistocene zandgebieden. Onder de noemer ‘bossen op alluviale gronden’ worden hier vrijwel alle bossen van deze klei- en beekdalgronden samengenomen. Alleen de bossen van de meest extreme milieus binnen deze landschappen worden tot andere natuurbostypen gerekend (zie Plantengemeenschappen: twee onderverbonden).Rijke bodem
Binnen de alluviale gronden bestaan er grote verschillen in voedselrijkdom en kalkgehalte. Deze zijn niet alleen vanuit agrarisch, maar ook vanuit ecologisch perspectief van belang. Zo zijn er belangrijke verschillen tussen de natuurlijk bostypes van de (matig voedselrijke) beekdalgronden en de (veel voedselrijkere) rivier- en zeeafzettingen. En binnen de rivierafzettingen dragen de licht zavelige oeverwallen weer een ander bostype dan de zwaardere zavels en de kleigronden. Alle natuurlijke bostypen van de alluviale gronden behoren echter tot de groep van de ‘rijke’ bossen en in het algemeen geldt dat hoe rijker het milieu is, des te geringer de verschillen in voedselrijkdom en kalkgehalte doorwerken in de soortensamenstelling van de vegetatie.

Hydrodynamiek als sleutelfactor
Onder natuurlijke omstandigheden zullen bosgroeiplaatsen die bij overstromingen zijn ontstaan door sedimentatie van bodemdeeltjes, periodiek opnieuw onder invloed komen van het oppervlaktewater. De frequentie en duur van de overstromingen kan van plek tot plek sterk verschillen, onder andere afhankelijk van het afvoerregime, de hoogte en de afstand tot het stroombed. Verschillen in hydrodynamiek zijn daarbij sterk bepalend voor de soortensamenstelling van het bos en daarmee voor het bostype. Op de meest dynamische plekken, dat wil zeggen bij een gemiddelde overstromingsduur van 10 dagen per jaar of meer, bestaat de boomlaag vrijwel uitsluitend uit wilgensoorten, met hier en daar een enkele populier of els. Dergelijke ‘zachthout-ooibossen’ zijn vrijwel volledig beperkt tot de lagere gedeelten van de uiterwaarden en het zoetwatergetijdengebied. Het zwaartepunt van de verspreiding ligt tussen Geertruidenberg en Rotterdam. Zie Wilgenvloedbos.
Op de meeste alluviale gronden zijn overstromingen echter door menselijk handelen uitgebannen. In de beekdalen gaat het dan vooral om aanpassing van het stroombed en/of cultuurtechnische maatregelen in het achterland, in de kleilandschappen om bedijking. Op dergelijke plaatsen zijn verschillen in grondwaterdynamiek sterk bepalend voor het bostype (dit geldt ook voor plekken waar van nature weinig of geen overstroming (meer) plaatsvindt). Als zo’n plek weinig dynamiek vertoont en altijd nat is treedt veenvorming op – waardoor de bodem meteen niet meer tot de alluviale gronden behoort. Voor de bijbehorende bostypen, berkenbroekbos onder voedselarme omstandigheden en elzenbroekbos in relatief rijk milieu, zie Broekbos.

Plantengemeenschappen: twee onderverbonden
Vrijwel alle bossen van alluviale gronden, exclusief de hierboven genoemde zachthoutooibossen en broekbossen, behoren tot de Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond, en daarbinnen tot het Verbond van Els en Vogelkers. Binnen dit verbond worden twee onderverbonden onderscheiden: Vochtige Elzen-Essenbossen en Iepenrijke Eiken-Essenbossen.

Beekdalen: Vochtige Elzen-Essenbossen
Dit onderverbond is kenmerkend voor de beekdalen (voorzover met minerale bodem). Oorspronkelijk gaat het vooral om de zeer soorten- en bloemrijke associatie Vogelkers-Essenbos (43Aa5), met veel opvallende voorjaarsbloeiers als Slanke sleutelbloem en Bosanemoon. Op de meest kwelrijke plekken kunnen ook kleine oppervlakten Goudveil-Essenbos (43Aa4) aanwezig zijn, met bijzonderheden als Paarbladig en Verspreidbladig goudveil, Reuzenpaardenstaart en Groot springzaad. In de huidige situatie zijn beide bostypen echter veelal vervangen door de Rompgemeenschap Grote brandnetel van de Vochtige Elzen-Essenbossen (43RG3). Naast deze hoofdbostypen komen in de beekdalen pleksgewijs nog twee andere bostypen voor. Op de overgang naar de hogere gronden kunnen (veelal smalle) stroken Eiken-Haagbeukenbos (43Ab1) aanwezig zijn, vaak met veel Grootbloemmuur, terwijl in verdroogde en verzuurde beekdalen de vegetatieontwikkeling tendeert naar een ‘arm’ bos met veel braamstruiken, een bostype dat tot het Zomereik-verbond (42Aa) gerekend kan worden.

Klei: Iepenrijke Eiken-Essenbossen
Dit onderverbond is typisch voor alluviale kleigronden. Hier behoort een groot deel van de bossen tot een rompgemeenschap. Vooral de RG Grote brandnetel van de Iepenrijke Eiken-Essenbossen (43RG2) is erg algemeen. Van nature heeft Grote brandnetel in dit bostype een bedekkingsgraad van 10-25% en maximaal 50%. In binnendijkse situaties duidt een hoger bedekkingspercentage van Grote brandnetel op de eerder genoemde verstoring van de hydrologie (ontwatering gevolgd door mineralisatie). Buitendijks speelt ook de aanvoer van voedingsstoffen met het rivierwater een rol. Naast de rompgemeenschap van Grote brandnetel zijn de meest kenmerkende bostypen:

Soorten die in beide associaties algemeen voorkomen zijn onder andere Fluitekruid, Look-zonder-look en Geel nagelkruid. Beide associaties komen zowel binnen- als buitendijks voor; buitendijkse vormen worden wel aangeduid met de term ‘hardhout-ooibossen’. In het geval van het Abelen-Iepenbos gaat het hierbij, indien goed ontwikkeld, om de zeldzame subassociatie van Slangelook (43Aa1b). Van beide associaties worden ook aparte subassociaties met stinzenplanten onderscheiden (respectievelijk 43Aa1c en 43Aa2b). Deze tot de landgoederen beperkte bostypen worden besproken bij Park- of stinzenbos. Nauw samenhangend met het bostype Essen-Iepenbos zijn mantelvegetaties met Sleedoorn, Eenstijlige meidoorn en Grauwe wilg (bij incidentele overstromingen ook Gewone vlier) en zoomvegetaties met Moerasspirea en Echte valeriaan (op de nattere delen) en Dolle kervel, Look-zonder-look, Zevenblad en Grote Brandnetel (op relatief droge standplaatsen). Deze worden hier echter niet nader besproken.

Habitattype en natuurdoeltype
De alluviale bossen van de beekdalen en de kleigronden vallen grotendeels onder het habitattype ‘Alluviale bossen met Zwarte els en Gewone es’ (H91E0) van de habitatrichtlijn. Alleen de Abelen-Iepenbossen worden gerekend tot het habitattype 91F0: ‘Gemengde bossen langs grote rivieren met Zomereik, Fladderiep, Gewone es of Smalbladige es’. Laatstgenoemde soort komt niet in Nederland voor. In het Handboek Natuurdoeltypen worden de alluviale bossen van de beekdalen gerekend tot het ‘Bos van bron en beek’ (3.67) en de bossen van de kleigronden tot het ‘Bos van voedselrijke, vochtige gronden’ (3.66). Deze laatste categorie omvat ook de hierboven genoemde hardhoutooibossen. Het natuurdoeltype Ooibos (3.61) heeft uitsluitend betrekking op de zachthoutooibossen van het zoetwatergetijdengebied en de lagere delen van de uiterwaarden. Deze worden op deze website aangeduid als het natuurbostype Wilgenvloedbos. De alluviale bossen van het noordelijke zeekleigebied vallen, vreemd genoeg, buiten de habitatrichtlijn.

Binnendijkse kleibossen: wat zal de toekomst brengen?
Mits niet aangetast door verdroging, verzuring of vermesting vormen de hierboven genoemde bosassociaties van de beekdalen en de buitendijkse kleigronden tevens het eindstadium van de bosontwikkeling. Voor de binnendijkse kleigronden is dit niet zonder meer het geval. Het gaat hier in feite om onnatuurlijke standplaatsen: door de bedijking is van overstromingen geen sprake meer en door cultuurtechnische maatregelen, zowel in de omgeving als in het bos zelf (rabatten), is ook van het oorspronkelijke grondwaterregime weinig over. Daarbij komt dat de meeste alluviale kleibossen erg jong zijn en dat de bosontwikkeling – in tegenstelling tot de boomgroei – hier erg traag verloopt (zie Lange ontwikkelingstijd). Dit alles tezamen maakt dat de uiteindelijke ontwikkeling van de binnendijkse kleibossen nogal onzeker is. We hebben simpelweg niet de beschikking over goede referentiebeelden.
Toch kunnen wij op grond van enkele voorbeelden en de te verwachten bodemkundige processen wel een tip van de sluier oplichten. Opnieuw lijkt de hydrologie de sleutelfactor te zijn. Op de natste gronden kan zich in theorie een veenbodem met elzenbroekbos ontwikkelen. Dit gebeurt echter alleen als er sprake is van een altijd natte situatie. In de praktijk is er echter vaak sprake van wisselende grondwaterstanden in de zomer en lijkt de ontwikkeling te leiden tot een enigszins onbestemd bostype met kenmerken van zowel het elzenbroekbos als natte vormen van het Essen-Iepenbos. Vroeger werd dit soort bossen aangeduid met de naam Ruigt-Elzenbos; in De Vegetatie van Nederland wordt het niet meer als zelfstandige eenheid onderscheiden. Een fraai voorbeeld van dit obscure, maar niet zeer zeldzame bostype is te vinden in De Worp bij Drimmelen (NB). Op minder extreem natte, maar noch steeds duidelijk vochtige gronden lijkt op zeer lange termijn de bosontwikkeling te leiden in de richting van het Vogelkers-Essenbos, een bostype dat wij vooral kennen van de beekdalen. Een bekend voorbeeld vormt het oude essenhakhout van Kolland, waar in het vroege voorjaar de bosbodem bedekt wordt door één groot tapijt van Bosanemoon (zie ook Essenhakhout). De spannendste ontwikkelingen zijn echter te verwachten op de sterk gedraineerde, dus relatief droge kleigronden. Onder invloed van zowel klei-inspoeling en vastlegging van voedingsstoffen in stabiele humus komt hier een ontwikkeling op gang die hoogst waarschijnlijk zal leiden tot een vorm van het Eiken-Haagbeukenbos, een bostype dat wij vooral kennen van de matig voedselrijke leemgronden (bijvoorbeeld in Zuid-Limburg). Een eerste aanzet hiervan is bijvoorbeeld al zichtbaar in delen van het Amsterdamse Bos.

Met bijdrage van:
Patrick Hommel

Literatuur:

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website