Nederlandse laagvenen zijn relatief insectenrijk. Tijdens deze veldwerkplaats wordt besproken wat een beheerder kan doen om al deze soorten in laagvenen te behouden.
Eerst wordt een overzicht gegeven van voor laagveen typische insectensoorten en hun trends. Vervolgens wordt uitleg gegeven over het belang van gradiënten. In laagveengebieden zijn veel overgangen aanwezig: van open vegetaties naar bosjes en van land naar water. In deze overgangen komen verschillende leefgebieden bij elkaar en ze beïnvloeden elkaar ook. Hoe ver die invloed reikt en hoe breed deze overgangen zijn, varieert sterk.
De voedingsstoffen en bufferende stoffen in oppervlaktewater hebben invloed op de aangrenzende vegetaties op land. In hoeverre dit effect doorwerkt kan gekwantificeerd worden op basis van satellietgegevens. Het blijkt dat op korte afstand van het water de Normalized Difference Vegetation Index (NDVI) van de vegetatie het hoogst is en dit weer afneemt verder van het water. Dit is een indicatie van de invloed van het water op de vegetatie. De afstand van het water tot de piek en breedte van de piek kunnen gebruikt worden om deze invloed in kaart te brengen. Voor herbivore insecten is niet alleen de aanwezigheid van voldoende voedselplanten van belang, ook speelt mee wat de chemische samenstelling is. Uit onderzoek blijkt dat de samenstelling van moerasviooltjes, riet en waterzuring varieert in ruimte en tijd. Mogelijk is dit een indicator voor verschil in overleving van de herbivoren.
Tijdens het middagprogramma worden veldlocaties in het Nationale Park Weerribben Wieden per boot bezocht om ter plekke het beheer voor insecten te bespreken.
Sprekers
- Roy van Grunsven (Vlinderstichting)
- Henk de Vries (Vlinderstichting)
- Bas Oteman (Vlinderstichting)
- Merijn Kuiper (Staatsbosbeheer)
Presentatie Belang van ruimtelijke gradiënten voor insecten van laagveengebieden 08-05-2026
Roy van Grunsven, Bas Oteman, Lonneke Teunisssen, Marjelle Molenaar, Annika Vermaat, Wouter Oe, Henk de Vries en Piet Bremer