Fauna in het rivierengebied
Het onderzoek laat zien dat herstel van fauna in het Nederlandse rivierengebied wordt belemmerd door habitatverlies, kwaliteitsproblemen en ontbrekende habitatcombinaties. Door analyse van voorbeeldsoorten en riviertrajecten biedt het rapport handvatten voor faunagerichte natuurontwikkeling op trajectschaal, met robuuste netwerken van sleutelgebieden en stapstenen.
Invloed van aantasting en maatregelen op de faunadiversiteit in Korenburgerveen – 2e fase
Dit eindrapport analyseert de effecten van herstelmaatregelen op watermacrofauna in het Korenburgerveen. Herstel leidt op korte termijn tot verstoring en homogenisering, waarbij algemene soorten toenemen en zeldzame soorten verdwijnen. Terreinheterogeniteit en gebufferd water blijken cruciaal voor faunaherstel op lange termijn.
Invloed van aantasting en maatregelen op de faunadiversiteit in Korenburgerveen – 1e fase
Dit rapport beschrijft de eerste fase van OBN-referentieonderzoek in het Korenburgerveen naar het belang van landschappelijke variatie voor watermacrofauna. Ondanks aantasting is het gebied soortenrijk, maar ruimtelijk verstoord. De studie benadrukt het belang van habitatheterogeniteit en verkent dilemma’s rond hydrologisch herstel en faunabehoud.
Belang van ruimtelijke gradiënten voor insecten van laagveengebieden
OBN Veldwerkplaats over het belang van ruimtelijke gradiënten voor insecten van laagveengebieden
Vervolgmonitoring Korenburgerveen 2024
In het Korenburgerveen zijn sinds 2000 ingrijpende hydrologische maatregelen genomen om het hoogveen te herstellen. Door regenwater beter vast te houden, waterstanden te stabiliseren en de invloed van voedselrijk water te beperken, is gewerkt aan het herstel van typische hoogveencondities met veenmossen en bijbehorende flora en fauna. Kort na uitvoering van deze maatregelen liet onderzoek zien dat vooral de watermacrofauna sterk veranderde, met name in de meest vernatte delen van het gebied. Twintig jaar later is onderzocht hoe deze veranderingen zich op de lange termijn hebben ontwikkeld. Uit deze vervolgmonitoring blijkt dat de watermacrofauna deels is hersteld en dat sommige locaties weer sterk lijken op de oorspronkelijke situatie. Dit wijst op veerkracht van het hoogveensysteem, zelfs tegen de achtergrond van landelijke achteruitgang van insecten. Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat snelle vernatting risico’s met zich meebrengt, omdat niet alle soorten zich even snel kunnen aanpassen.
Grote grazers voor veiligheid en natuur in rivieruiterwaarden
Rijkswaterstaat wil in de stroombanen van de rivier de vegetatie weer terugzetten tot een ruwheid die overeenkomt met die van productiegrasland. Met terreinbeheerders worden gedetailleerde afspraken gemaakt om deze vegetatie vervolgens ook kort te houden. De vraag is wat de beste manier is die recht doet aan waterveiligheid en aan de biodiversiteit. In dit onderzoek is bestaande kennis verzameld en geanalyseerd.
Fosfaattoevoeging heide
Plaggen van heidebodems is veel toegepast als maatregel om de accumulatie van stikstof in de bodem tegen te gaan. Het nadeel van deze maatregel is dat door verwijdering van de organische laag ook een groot deel van de aanwezige P uit het systeem verwijderd wordt.
Een beheeroptie is om plaggen te combineren met een eenmalige bemesting met P, zodanig dat de beschikbare P netto herstelt tot de oorspronkelijke waarden. In dit project is die maatregel onderzocht in een veldexperiment in Nationaal Park de Hoge Veluwe.
Biochemie en experimentele maatregelen voor het herstel van beekdalvenen
Beekdalvenen zijn moerassen die door grondwater worden gevoed en waar vroeger en/of momenteel veenvorming optreedt. Het doel van dit onderzoek is om te kijken of extra maatregelen (aanvullend op de vernatting van beekdalen) helpen bij het herstel van basenrijke kleine zeggen-slaapmos-vegetaties.
Effecten maaibeheer op kleine zeggenmoerassen in beekdalen
In diverse beekdalen in Nederland worden deze veenvormende moerasvegetaties hersteld door vernatting. Als beheermaatregel worden deze vegetaties daarna vaak gemaaid. De centrale vraag in dit OBN onderzoeksrapport is of dat nodig is. Na verbetering van de hydrologische omstandigheden zouden de vegetaties zichzelf moeten kunnen handhaven. Daarnaast is het de vraag in hoeverre maaibeheer nadelig doorwerkt op het ontstaan van microtypografie (kleinschalig reliëf).
Verdwijnen nymphaeiden in uiterwaarden langs de Rijn
De waterplantenvegetaties langs de Rijntakken gaan achteruit. Staatsbosbeheer en Provincie Gelderland willen daarom graag weten wat de ernst van de situatie is, en door welke factoren deze achteruitgang wordt veroorzaakt. Op basis dit OBN Raad en daad advies kunnen vervolgens maatregelen gekozen worden voor behoud en herstel van deze vegetaties.
Natuur en stikstof: doen wat moet en kan
Het adviesrapport ‘Doen wat moet én kan’ van de Ecologische Autoriteit concludeert dat het slecht gaat met de stikstofgevoelige natuur in Nederland. De overheid moet en kan nu noodmaatregelen nemen om de eigen natuurdoelen nog te halen. In dit kennisuur worden de analyses uit het rapport besproken.
Belang van ruimtelijke gradiënten voor insecten van laagveengebieden
Laagveenmoerassen herbergen veel karakteristieke insectensoorten, maar hun trends zijn vaak onbekend. Dit onderzoek laat zien dat gradiënten langs oppervlaktewater – overgangen tussen nat en droog, open en houtige vegetatie – cruciaal zijn voor insectenrijkdom. Gebieden met bredere gradiënten hebben rijkere en meer gespecialiseerde insectengemeenschappen.
Risicoanalyse Bemersbeek
Het OBN deskundigenteam adviseert over herstelmaatregelen voor de Bemersbeek, waaronder suppletie en verlenging van de beek. Belangrijke overwegingen zijn het gebruik van lokaal materiaal, gefaseerde uitvoering, en monitoring om ecologische effecten en risico’s voor de fauna vast te stellen.
Optimalisatie RWZI Winterswijk: inschatting van het ecologisch effect op de Groenlose Slinge
Het onderzoek richt zich op de ecologische verbetering van de Groenlose Slinge door optimalisatie van de RWZI Winterswijk. Verwachte verbeteringen zijn onder andere verminderde ammoniumpieken en hogere zuurstofgehaltes. Verdere maatregelen zijn nodig om de ecologische doelen volledig te bereiken, vooral rondom nutriëntenreductie en waterstroming.
Beekbegeleidende Bossen in Gelderland – Advies voor afbakening van Natura 2000-habitattype H91E0_C
Provincie Gelderland werkt aan nieuwe habitatkaarten voor Natura 2000-gebieden met H91E0_C (beekbossen), waarbij het OBN-Deskundigenteam adviseert over afbakeningscriteria, inclusief landschapsecologische en vegetatiekundige aspecten, ter verduidelijking en standaardisering.
Populatie-ontwikkeling na herintroductie van de kokerjuffer Lepidostoma basale op de Zuidwest-Veluwe
Herintroductie van de kokerjuffer Lepidostoma basale in de Heelsumse beek was succesvol, maar verspreiding naar nabije beken werd beperkt door ongunstige omstandigheden. Verdere maatregelen zijn nodig om geschikte habitats te herstellen en populaties uit te breiden.
Fosfaattoevoeging heide
Na zeven jaar zijn de behandelingen nog steeds meetbaar in de bodemchemie. Bekalking heeft de fosfaatbeschikbaarheid beïnvloed en leidt tot verschillende effecten op vegetatie en fauna, met een toename van soortenrijkdom in de gecombineerde P+Ca+ behandeling.
Verzuring van loofbossen op droge zandgronden en herstelmogelijkheden door steenmeeltoediening
In het pleistocene zandlandschap hebben atmosferische depositie van stikstof en zwavel geleid tot bodemverzuring en vermesting, wat resulteerde in verlies van voedselarme habitats. Onderzoek toont aan dat steenmeeltoediening de bodemchemie en bosgezondheid kan verbeteren, hoewel verder onderzoek nodig is.
Langetermijneffecten van bosbekalking en -bemesting: de Harderwijkerproef
In het Nederlandse droog zandlandschap veroorzaakt atmosferische depositie verlies van biodiversiteit. Onderzoek naar bosbekalking en mineralengiften toont dat lichte kalkgift (tot 3 ton/ha) verzuringsschade vermindert zonder het ecosysteem te verstoren, maar hogere doses veroorzaken onwenselijke ecologische veranderingen.
No regret maatregelen in relatie tot Zwarte specht
In verschillende N2000-gebieden in Nederland, zoals Noord-Brabant, Gelderland en Drenthe, is de populatie Zwarte specht te laag, wat ruimtelijke ontwikkelingen bemoeilijkt. Provincies zoeken naar maatregelen die de populatie kunnen versterken, met succes in Limburg, maar de oorzaak blijft onbekend.
Zandafzetting, standplaats, beheer en botanische kwaliteit van Stroomdalgrasland
Stroomdalgraslanden zijn sterk achteruitgegaan door ingrepen en verstoring. Behoud van alle resterende gebieden is nodig. Herstel vraagt geschikt abiotiek, kalkrijk zand, en structureel maaien en/of begrazen om successie terug te zetten en open vegetaties te behouden.
Advies ‘ambitie en effectieve maatregelen voor de Berkel tussen Borculo & Lochem’
Het OBN Deskundigenteam Beekdallandschap onderzocht effectieve maatregelen om de waterkwaliteit in de Berkel (Borculo-Lochem) te verbeteren. Ze koppelen dit traject aan bredere systeemambities en ecologische doelen, resulterend in een advies voor toekomstige visievorming en inrichting.
Vennen in een veranderend klimaat: effecten van watertemperatuur, afgenomen verzuring en waterpeilfluctuaties
De vooruitzichten voor zwakgebufferde en zure vennen zijn verbeterd, maar organische ophoping blijft een probleem. Droogval vergroot stikstofverlies niet aantoonbaar en moet natuurlijk zijn; uitbreiding van isoetide waterplanten kan een veilig alternatief bieden.
De veenbasis: kenmerken en effecten van ontwatering, in relatie tot behoud en herstel van de Nederlandse hoogvenen
Ondanks veel hoogveenonderzoek is de rol van de veenbasis onduidelijk. Doorlatendheid kan toenemen bij uitdroging, maar effecten zijn vaak kleiner dan aantasting van bovenaf. Gebiedsgerichte inventarisatie van de veenbasis is essentieel voor herstelbeheer.