Kennislacunes in De Wieden en De Weerribben
Onderzoek in het kader van het Natura 2000-beheerplan voor De Wieden en De Weerribben toont dat verlaging van fosfor- en stikstofbelasting cruciaal is voor herstel van basenrijke trilvenen. Voldoende calciumaanvoer, hogere zomerpeilen en het voorkomen van droogte zijn essentieel. Nieuwe trilvenen ontstaan nauwelijks; gericht peilbeheer en nutriëntenreductie blijven noodzakelijk voor duurzame instandhouding.
Herstel van kruiden- en faunarijke graslanden in het droge zandlandschap
OBN-onderzoek naar kruiden- en faunarijke graslanden in droge zandgebieden toont dat langdurig verschralingsbeheer vaak in een grassenfase blijft steken. Beheer met tijdelijke bodemdynamiek, zoals zwarte braak of roggeteelt, bevordert kruidenrijkdom. Bodemgemeenschappen veranderen beperkt, behalve lichte verschuivingen in schimmels. Duurzaam herstel vraagt grootschalig onderzoek naar bodemleven, plant-bodeminteracties en dynamiek om soortenrijke graslanden te herstellen.
Effectgerichte maatregelen voor het herstel en beheer van faunagemeenschappen van heideterreinen
Het rapport analyseert waarom herstel van heidefauna vaak uitblijft. Historische habitatvernietiging en verzuring en vermesting verstoren voedselkwaliteit en voedselwebben. Hoge stikstofdepositie veroorzaakt fosforlimitatie en nutriëntenonbalans, met negatieve effecten op insecten en hogere trofische niveaus. Gangbaar plagbeheer is vaak ineffectief. Duurzaam herstel vraagt landschapsherstel, behoud van organische stof, lichte bekalking en vooral bronreductie van stikstofdepositie
Herstellen van basenrijke venen door het inbrengen van basen
Trilveen is een zeldzaam en soortenrijk laagveentype dat sterk achteruitgaat door verzuring en vermesting. Omdat nieuw trilveen nauwelijks ontstaat, zijn beheermaatregelen noodzakelijk. Onderzoek laat zien dat naast waterhuishouding ook bodemprocessen cruciaal zijn. De rapportage bundelt kennis over maatregelen als inundatie en bevloeiing en biedt water- en natuurbeheerders praktische handvatten voor weloverwogen keuzes.
Fauna in het rivierengebied
Het onderzoek laat zien dat herstel van fauna in het Nederlandse rivierengebied wordt belemmerd door habitatverlies, kwaliteitsproblemen en ontbrekende habitatcombinaties. Door analyse van voorbeeldsoorten en riviertrajecten biedt het rapport handvatten voor faunagerichte natuurontwikkeling op trajectschaal, met robuuste netwerken van sleutelgebieden en stapstenen.
Verbinden van laagveengebieden via de Randmeerzone
Het laagveen in Nederland bestaat uit twee geïsoleerde relicten in west en noordoost. Door verlies aan verbindingen zijn populaties gescheiden. Dit onderzoek verkent kansen voor een ecologische verbindingszone via de Randmeren, met potentie voor riet, veenbossen en zoete plassen, ondanks enkele resterende knelpunten tussen beide laagveengebieden in Nederland op termijn.
Belang van ruimtelijke gradiënten voor insecten van laagveengebieden
OBN Veldwerkplaats over het belang van ruimtelijke gradiënten voor insecten van laagveengebieden
Herstel vogelkers-essenbos in het Lankheet
Het vijfjarige onderzoek (2005–2010) op landgoed Het Lankheet onderzocht herstel van verdroogd Vogelkers-Essenbos via verhoogde kwel. Hydrologie, bodemchemie en humus verbeterden, maar vegetatieherstel verliep langzaam door dispersiebeperkingen. Elzenbroekbossoorten namen toe, oud-bossoorten beperkt. Conclusie: hydrologisch herstel is effectief, maar volledige vegetatieontwikkeling vraagt tijd, nabijgelegen bronpopulaties en aanvullend beheer.
Herstelexperiment voor elzenbroek door bevloeiing met oppervlaktewater in het Lankheet – Vervolgmonitoring 2017
Langetermijnmonitoring op landgoed Het Lankheet toont aan dat bevloeiing met basenrijk oppervlaktewater elzenbroekbossen duurzaam kan herstellen. Vooral zes maanden bevloeiing verhoogt pH en basenvoorraad en bevordert karakteristieke vegetatie. Plaggen blijkt niet effectief; zomerse droogval is cruciaal.
Herstelexperiment voor Elzenbroek door bevloeiing met oppervlaktewater in ’t Lankheet
Het Elzenzegge-Elzenbroek is sterk achteruitgegaan door verdroging, verzuring en eutrofiëring. Binnen het OBN-programma wordt experimenteel onderzocht of seizoensmatige bevloeiing met schoon, basenrijk oppervlaktewater kan bijdragen aan herstel van gedegradeerde Elzenbroekbossen, met aandacht voor waterregime, bodemchemie en nutriënten.
Herstelexperiment voor elzenbroek door bevloeiing met oppervlaktewater in het Lankheet – Vervolgmonitoring- 2009
Langetermijnonderzoek op landgoed Het Lankheet laat zien dat bevloeiing met basenrijk oppervlaktewater elzenbroekbossen duurzaam kan herstellen. Vooral zes maanden bevloeiing verbetert bodemchemie en vegetatieontwikkeling. Plaggen blijkt geen meerwaarde te hebben; zomerse droogval is essentieel voor succesvol herstel.
Stuurfactoren voor weerbare laagveensystemen tegen uitheemse rivierkreeft
In dit onderzoek is gekeken welke mogelijkheden natuurbeheerders en waterbeheerders hebben om te werken aan een dergelijk robuust watersysteem. Er is gekeken naar vier potentiële stuurfactoren voor het vergroten van de weerbaarheid van watersystemen tegen uitheemse rivierkreeft onderzocht: (a) voedselbeschikbaarheid en nutriënten, (b) oeverstructuur, (c) predator-prooirelaties en (d) gevoeligheid van waterplanten tegen destructie. Doel van het onderzoek was om meer inzicht te krijgen in de abiotische en biotische factoren en processen die aquatische laagveensystemen minder gevoelig maken voor invasie door rivierkreeften en/of de maximale rivierkreeftenpopulatie in een systeem beperken. Het onderzoek geeft daarmee handvatten voor het herstellen van aquatische systemen.
Grote grazers voor veiligheid en natuur in rivieruiterwaarden
Rijkswaterstaat wil in de stroombanen van de rivier de vegetatie weer terugzetten tot een ruwheid die overeenkomt met die van productiegrasland. Met terreinbeheerders worden gedetailleerde afspraken gemaakt om deze vegetatie vervolgens ook kort te houden. De vraag is wat de beste manier is die recht doet aan waterveiligheid en aan de biodiversiteit. In dit onderzoek is bestaande kennis verzameld en geanalyseerd.
Fosfaattoevoeging heide
Plaggen van heidebodems is veel toegepast als maatregel om de accumulatie van stikstof in de bodem tegen te gaan. Het nadeel van deze maatregel is dat door verwijdering van de organische laag ook een groot deel van de aanwezige P uit het systeem verwijderd wordt.
Een beheeroptie is om plaggen te combineren met een eenmalige bemesting met P, zodanig dat de beschikbare P netto herstelt tot de oorspronkelijke waarden. In dit project is die maatregel onderzocht in een veldexperiment in Nationaal Park de Hoge Veluwe.
Verlanding in laagveenpetgaten
Deze verlanding van petgaten is in veel laagveengebieden gestagneerd. Het doel van dit onderzoek was om mogelijke oorzaken te begrijpen en zo mogelijk maatregelen te bedenken om de verlanding wel weer op gang te brengen. In dit onderzoek is een aantal herstelmaatregelen ingezet om verlanding te stimuleren. Eén daarvan is de inzet van drijvende constructies.
Biochemie en experimentele maatregelen voor het herstel van beekdalvenen
Beekdalvenen zijn moerassen die door grondwater worden gevoed en waar vroeger en/of momenteel veenvorming optreedt. Het doel van dit onderzoek is om te kijken of extra maatregelen (aanvullend op de vernatting van beekdalen) helpen bij het herstel van basenrijke kleine zeggen-slaapmos-vegetaties.
Effecten maaibeheer op kleine zeggenmoerassen in beekdalen
In diverse beekdalen in Nederland worden deze veenvormende moerasvegetaties hersteld door vernatting. Als beheermaatregel worden deze vegetaties daarna vaak gemaaid. De centrale vraag in dit OBN onderzoeksrapport is of dat nodig is. Na verbetering van de hydrologische omstandigheden zouden de vegetaties zichzelf moeten kunnen handhaven. Daarnaast is het de vraag in hoeverre maaibeheer nadelig doorwerkt op het ontstaan van microtypografie (kleinschalig reliëf).
BlueCAN: casus De Wieden
Deze factsheet laat de eerste resultaten zien van het verkennende veldwerk dat in november 2020 heeft plaatsgevonden in natuurgebied De Wieden, als onderdeel van het BlueCAN onderzoek naar broeikasgasemissies van open wateren.
Natuur en stikstof: doen wat moet en kan
Het adviesrapport ‘Doen wat moet én kan’ van de Ecologische Autoriteit concludeert dat het slecht gaat met de stikstofgevoelige natuur in Nederland. De overheid moet en kan nu noodmaatregelen nemen om de eigen natuurdoelen nog te halen. In dit kennisuur worden de analyses uit het rapport besproken.
Eutrofiering bij natuurontwikkelingsprojecten
In laagveengebieden worden diverse natuurherstelmaatregelen toegepast, maar deze leiden niet altijd tot herstel van de aquatische natuur. Soms verslechtert zelfs de waterkwaliteit. Op basis van literatuur, data-analyse en interviews onderzoekt dit rapport de relatie tussen inrichtingsmaatregelen en waterkwaliteit. Oorzaken zijn niet eenduidig aantoonbaar, maar risicofactoren worden wel benoemd.
Stimuleren van acrotelmontwikkeling in hoogveenrestanten
Herstel van actieve hoogveenvorming vereist stabiele waterstanden en ontwikkeling van een veenmosrijke acrotelm. Onderzoek (2017-2021) toont dat herintroductie van bultvormige veenmossen mogelijk effectief is, mits hydrologische stabiliteit en microklimaat optimaal zijn, ondanks droogte-uitdagingen.
Belang van ruimtelijke gradiënten voor insecten van laagveengebieden
Laagveenmoerassen herbergen veel karakteristieke insectensoorten, maar hun trends zijn vaak onbekend. Dit onderzoek laat zien dat gradiënten langs oppervlaktewater – overgangen tussen nat en droog, open en houtige vegetatie – cruciaal zijn voor insectenrijkdom. Gebieden met bredere gradiënten hebben rijkere en meer gespecialiseerde insectengemeenschappen.
Kansen voor biodiversiteit bij klimaatmaatregelen in laagveen
Onderzoek naar de impact van vernatting op biodiversiteit in laagveengebieden. Ontdek hoe waterherkomst en vernattingstype bijdragen aan natuurontwikkeling en klimaatdoelen. Inclusief beslisboom voor beheerders.
Acrotelmontwikkeling hoogveen
Dit onderzoek richtte zich op het herstel van acrotelms in Nederlandse hoogvenen door herintroductie van bultvormende veenmossen. Belangrijkste bevindingen zijn dat bultvormers goed gedijen bij plas-dras condities met strobedekking, en dat een hoge dichtheid van introductie en hoge CO2-concentraties gunstig zijn. Het succes hangt af van hydrologische omstandigheden en concurrentie met bestaande veenmossen.