Herstellen van basenrijke venen door het inbrengen van basen
Trilveen is een zeldzaam en soortenrijk laagveentype dat sterk achteruitgaat door verzuring en vermesting. Omdat nieuw trilveen nauwelijks ontstaat, zijn beheermaatregelen noodzakelijk. Onderzoek laat zien dat naast waterhuishouding ook bodemprocessen cruciaal zijn. De rapportage bundelt kennis over maatregelen als inundatie en bevloeiing en biedt water- en natuurbeheerders praktische handvatten voor weloverwogen keuzes.
Extra leefgebied voor de noordse woelmuis in de Nieuwkoopse Plassen
In dit onderzoek is gekeken welke uitbreidingsmogelijkheden er zijn voor geschikt habitat voor de noordse woelmuis. Dit kan door bijvoorbeeld beboste percelen te ontdoen van bomen en struiken, waardoor nieuw noordse woelmuishabitat ontstaat. Verder is een aangepast maaibeheer mogelijk waarbij bepaalde delen, waaronder oeverzones, van het gebied worden uitgerasterd. Ook minder intensief begrazen is een goede optie om geschikt habitat te creëren.
Verbinden van laagveengebieden via de Randmeerzone
Het laagveen in Nederland bestaat uit twee geïsoleerde relicten in west en noordoost. Door verlies aan verbindingen zijn populaties gescheiden. Dit onderzoek verkent kansen voor een ecologische verbindingszone via de Randmeren, met potentie voor riet, veenbossen en zoete plassen, ondanks enkele resterende knelpunten tussen beide laagveengebieden in Nederland op termijn.
Belang van ruimtelijke gradiënten voor insecten van laagveengebieden
OBN Veldwerkplaats over het belang van ruimtelijke gradiënten voor insecten van laagveengebieden
Stuurfactoren voor weerbare laagveensystemen tegen uitheemse rivierkreeft
In dit onderzoek is gekeken welke mogelijkheden natuurbeheerders en waterbeheerders hebben om te werken aan een dergelijk robuust watersysteem. Er is gekeken naar vier potentiële stuurfactoren voor het vergroten van de weerbaarheid van watersystemen tegen uitheemse rivierkreeft onderzocht: (a) voedselbeschikbaarheid en nutriënten, (b) oeverstructuur, (c) predator-prooirelaties en (d) gevoeligheid van waterplanten tegen destructie. Doel van het onderzoek was om meer inzicht te krijgen in de abiotische en biotische factoren en processen die aquatische laagveensystemen minder gevoelig maken voor invasie door rivierkreeften en/of de maximale rivierkreeftenpopulatie in een systeem beperken. Het onderzoek geeft daarmee handvatten voor het herstellen van aquatische systemen.
Grote grazers voor veiligheid en natuur in rivieruiterwaarden
Rijkswaterstaat wil in de stroombanen van de rivier de vegetatie weer terugzetten tot een ruwheid die overeenkomt met die van productiegrasland. Met terreinbeheerders worden gedetailleerde afspraken gemaakt om deze vegetatie vervolgens ook kort te houden. De vraag is wat de beste manier is die recht doet aan waterveiligheid en aan de biodiversiteit. In dit onderzoek is bestaande kennis verzameld en geanalyseerd.
Fosfaattoevoeging heide
Plaggen van heidebodems is veel toegepast als maatregel om de accumulatie van stikstof in de bodem tegen te gaan. Het nadeel van deze maatregel is dat door verwijdering van de organische laag ook een groot deel van de aanwezige P uit het systeem verwijderd wordt.
Een beheeroptie is om plaggen te combineren met een eenmalige bemesting met P, zodanig dat de beschikbare P netto herstelt tot de oorspronkelijke waarden. In dit project is die maatregel onderzocht in een veldexperiment in Nationaal Park de Hoge Veluwe.
Biochemie en experimentele maatregelen voor het herstel van beekdalvenen
Beekdalvenen zijn moerassen die door grondwater worden gevoed en waar vroeger en/of momenteel veenvorming optreedt. Het doel van dit onderzoek is om te kijken of extra maatregelen (aanvullend op de vernatting van beekdalen) helpen bij het herstel van basenrijke kleine zeggen-slaapmos-vegetaties.
Effecten maaibeheer op kleine zeggenmoerassen in beekdalen
In diverse beekdalen in Nederland worden deze veenvormende moerasvegetaties hersteld door vernatting. Als beheermaatregel worden deze vegetaties daarna vaak gemaaid. De centrale vraag in dit OBN onderzoeksrapport is of dat nodig is. Na verbetering van de hydrologische omstandigheden zouden de vegetaties zichzelf moeten kunnen handhaven. Daarnaast is het de vraag in hoeverre maaibeheer nadelig doorwerkt op het ontstaan van microtypografie (kleinschalig reliëf).
Natuur en stikstof: doen wat moet en kan
Het adviesrapport ‘Doen wat moet én kan’ van de Ecologische Autoriteit concludeert dat het slecht gaat met de stikstofgevoelige natuur in Nederland. De overheid moet en kan nu noodmaatregelen nemen om de eigen natuurdoelen nog te halen. In dit kennisuur worden de analyses uit het rapport besproken.
Eutrofiering bij natuurontwikkelingsprojecten
In laagveengebieden worden diverse natuurherstelmaatregelen toegepast, maar deze leiden niet altijd tot herstel van de aquatische natuur. Soms verslechtert zelfs de waterkwaliteit. Op basis van literatuur, data-analyse en interviews onderzoekt dit rapport de relatie tussen inrichtingsmaatregelen en waterkwaliteit. Oorzaken zijn niet eenduidig aantoonbaar, maar risicofactoren worden wel benoemd.
Belang van ruimtelijke gradiënten voor insecten van laagveengebieden
Laagveenmoerassen herbergen veel karakteristieke insectensoorten, maar hun trends zijn vaak onbekend. Dit onderzoek laat zien dat gradiënten langs oppervlaktewater – overgangen tussen nat en droog, open en houtige vegetatie – cruciaal zijn voor insectenrijkdom. Gebieden met bredere gradiënten hebben rijkere en meer gespecialiseerde insectengemeenschappen.
Kansen voor biodiversiteit bij klimaatmaatregelen in laagveen
Onderzoek naar de impact van vernatting op biodiversiteit in laagveengebieden. Ontdek hoe waterherkomst en vernattingstype bijdragen aan natuurontwikkeling en klimaatdoelen. Inclusief beslisboom voor beheerders.
Stikstofgevoeligheid en maatregelen op de Utrechtse heuvelrug vergeleken met de Veluwe
Verhoogde stikstofdepositie in droge zandlandschappen vereist zorgvuldige herstelmaatregelen. Kleinschalig plaggen en bekalken helpen, maar kunnen andere nutriëntentekorten veroorzaken. Steenmeel biedt hoop als alternatief voor bufferherstel, maar resultaten zijn nog onzeker en herstel blijft maatwerk.
Dominantie van krul- en ridderzuring in de Eemlandpolder – De bodemsamenstelling
Krul- en ridderzuring groeien sterk op voedselrijke, natte bodems met slechte doorluchting. Aanpassingen in maaibeheer en verschraling kunnen de groei remmen. Dit vereist minder bemesting, gefaseerd maaien en verbeteren van gras-kruidenmix, met aandacht voor locatie-specifieke omstandigheden.
Monitoring plagexperiment Westbroekse Zodden ten behoeve van het op gang brengen van verlanding
Het plaggen van oevers bevorderde verlanding doordat verlandende soorten zoals Snavelzegge zich gemakkelijker konden vestigen. Kooien beschermden planten tegen vraat, en sommige soorten zoals Slangenwortel en Kleine lisdodde vestigden zich beter, maar Krabbenscheer presteerde minder door voedingsgebrek.
Zandafzetting, standplaats, beheer en botanische kwaliteit van Stroomdalgrasland
Stroomdalgraslanden zijn sterk achteruitgegaan door ingrepen en verstoring. Behoud van alle resterende gebieden is nodig. Herstel vraagt geschikt abiotiek, kalkrijk zand, en structureel maaien en/of begrazen om successie terug te zetten en open vegetaties te behouden.
Peilfluctuaties in het laagveenlandschap: relaties tussen hydrologie, ecosysteemdynamiek en Natura 2000-habitattypen – Rapportage 2
Dit onderzoek verkent voor- en nadelen van natuurlijk peilbeheer in laagveen en toont dat verhoogde waterstanden onder voorwaarden gunstig zijn. Waterkwaliteit, bodemsamenstelling, geohydrologische positie en timing zijn cruciaal voor effectief beheer.
Vennen in een veranderend klimaat: effecten van watertemperatuur, afgenomen verzuring en waterpeilfluctuaties
De vooruitzichten voor zwakgebufferde en zure vennen zijn verbeterd, maar organische ophoping blijft een probleem. Droogval vergroot stikstofverlies niet aantoonbaar en moet natuurlijk zijn; uitbreiding van isoetide waterplanten kan een veilig alternatief bieden.