Typische ‘venlibellen’ als de noordse witsnuitlibel, de venwitsnuitlibel, de maanwaterjuffer en de venglazenmaker hebben het zwaar. Met een combinatie van experimenten en veldwaarnemingen, laten we zien dat de beschikbaarheid van zuurstof een centrale rol speelt in de problemen die deze soorten van zure vennen ondervinden.
De idyllische vennen van het Nederlandse heidelandschap spreken al meer dan honderd jaar tot de verbeelding van natuurliefhebbers (Thijse, 1916). Ze vormen het leefgebied van een karakteristieke faunagemeenschap zoals de maanwaterjuffer, venwitsnuitlibel en venglazenmaker. Deze typische venlibellen laten recent sterke afnames zien en een aantal soorten staat als ‘bedreigd’ (noordse witsnuitlibel en venwitsnuitlibel) of ‘ernstig bedreigd’ (maanwaterjuffer en venglazenmaker) op de Rode Lijst (Van Grunsven et al., 2026). Zelfs de voorheen zeer algemene zwarte heidelibel en watersnuffel zijn op de Rode Lijst terechtgekomen respectievelijk als ‘kwetsbaar’ en ‘gevoelig’. Deze soorten namen recent met 22 % respectievelijk 7 % per jaar in aantal af (Meetprogramma Libellen, NEM). Deze afnames blijven niet alleen tot Nederland beperkt, dezelfde patronen zien we in de rest van Europa; alleen in het noorden (met name Fennoscandinavië) en in berggebieden is de afname minder sterk (De Knijf et al., 2024).
De afname van karakteristieke libellensoorten is waarschijnlijk representatief voor een veel grotere groep van ongewervelden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de afname van verschillende macrofaunagroepen die tijdens de monitoring van het grootste ven op de Veluwe, de Gerritsfles op het militair oefenterrein DeHarskamp is waargenomen (zie Franssen et al., pagina 171 De Levende Natuur, september 2026). Van Kleef et al. (2025) onderzochten de oorzaken van de verarmende libellenfauna.
Artikel De Levende Natuur September 2026, 165-170 – Hein van Kleef e.a.