Home > Nieuws > Kijkje over de grens in België: kan Nederland ook zo’n mooi kalkgrasland krijgen?
15 september 2026
Kijkje over de grens in België: kan Nederland ook zo’n mooi kalkgrasland krijgen?
In België zijn veel habitattypen te vinden die vergelijkbaar zijn met die in Zuid-Limburg. Reden voor OBN-deskundigenteam Heuvellandschap om ook hier een kijkje te nemen. Centraal staat het kalkgrasland, een natuurtype dat in Limburg grotendeels verdwenen of gedegradeerd is, maar in Wallonië – mede dankzij recente hersteloperaties- floreert.
De eerste internationale OBN-excursie vorig jaar, naar de Duitse Eifel, smaakte naar meer. De Nederlandse onderzoekers en natuurbeheerders bezochten toen met Belgische en Duitse collega’s schraalgraslanden, overgangsvenen en kalkmoerassen in de Duitse Eifel. In België is de aandacht gericht op kalkgraslanden in de Waalse regio’s Calestienne/Famenne en de Jekervallei/Sint-Pietersberg.
Voormalig sparrenbos
Het is al vroeg warm op een van de zuidhellingen van reservaat Mont-des-Pins, waar de excursie start. De deelnemers worden hier door Waalse collega’s rondgeleid over flinke oppervlakten hersteld kalkgrasland. Een groot deel daarvan was enkele jaren geleden nog sparrenbos, vertelt de gids van natuurorganisatie Natagora. Enkele decennia was er houtproductie op wat daarvoor juist nog waardevol kalkgrasland was. Maar de omslag terug blijkt goed te maken. Nu in het kader van een LIFE-project 16 ha bos is gekapt, ontwikkelen de graslanden zich goed en steken typische soorten de kop weer op. Daar was wel intensief ingrijpen voor nodig. Jarenlang is de vegetatie, met name met het oog op de houten gewassen, geklepeld. Om de typische plantengroei op gang te brengen zijn zaden uit andere terreinen geïntroduceerd. Een van de geïntroduceerde soorten is bergdravik, tot verbazing van de meegereisde Limburgse beheerders van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. De dominantie van soort neemt in vergelijkbare Nederlandse terreinen steeds meer toe, maar hoort in principe wel in meer zuidelijk gelegen kalkgraslanden thuis. “Als je ziet dat het 50 kilometer zuidelijker juist wordt gebruikt om het kalkgrasland op gang te brengen, leer je dat de soort zelf niet het probleem is. Het systeem is bij ons is blijkbaar niet in orde, en daardoor wordt het een probleem”, concludeert Guido Verschoor van Staatsbosbeheer.
Foto Koen Moons
Gijs van Dijk van Onderzoekcentrum B-WARE is positief verrast over het snelle herstel dat hij om zich heen ziet, maar kan die ook wel verklaren. “Een groot verschil met Nederland is dat men hier graslanden herstelt vanuit een bossituatie, terwijl we in Nederland meestal te maken hebben met voormalige akkers of weilanden. Daar heeft vee op gestaan, is volop bemest en geploegd. Dan sta je al 10-0 achter en moet je veel rigoureuzere maatregelen nemen. Hier zijn de schalere condities vaak behouden gebleven. De stikstofdepositie is hier bovendien lager.”
Lessen voor Nederland
Kunnen Nederlandse beheerders toch iets leren van dit succes? In de vele discussies in het veld worden onder andere maai- en begrazingsbeheer vergeleken. Wanneer, hoeveel, waarmee? De gouden formule wordt niet gevonden, het blijft blijkbaar toch altijd maatwerk. Maar de deelnemers doen wel inzichten op. “Het is goed om bij anderen te kijken”, zegt Verschoor. “Dat wil niet zeggen dat je meteen je eigen beheer helemaal gaat omgooien, maar je neemt wel iets mee.” Van Dijk vult aan: “Het natuurbeheer is hier veel minder strak geregeld, er is meer ruimte om te rommelen. Juist van dat experimenteren is veel te leren, uiteindelijk ook voor ons in Nederland. Zo’n excursie is daarbij goed: veel kennis zit in de hoofden van de beheerders, dat geldt over de grens ook.”
Naast lessen uit het herstel en beheer van natuur, kan uit de bezochte gebieden in België ook geleerd worden over wat een bepaald natuurtype van goede kwaliteit aan abiotiek nodig heeft. “Ik heb deze dagen al wat contacten gelegd om in deze gebieden verder onderzoek te kunnen doen”, zegt onderzoeker Gijs van Dijk. “We zoeken altijd referentiegebieden waarbij we vegetatieopnames koppelen aan condities in het gebied, zoals de hydrologie en de bodemchemie. Dat leert ons veel over de benodigde omstandigheden om vergelijkbare natuurtypen te herstellen in Nederland. Inzicht in gebieden hier is ook waardevol met het oog op klimaatverandering: wat kunnen we verwachten? Het is goed om te leren uit zuidelijkere streken.”
Natuur in agrarisch beheer
Bruinrode wespenorchis Wallonië. Foto Koen Moons
Er volgen in deze twee dagen meer kalkgraslanden met een recent en relatief kortstondig bosbouwverleden, maar ook diverse graslanden die altijd in gebruik zijn geweest bij een boer, ook nu nog. Zo prijken op een helling nabij een drukke autoweg – aan de voet van het Belgische deel van de Sint-Pietersberg – tal van orchideeën in een boeren weiland dat in Nederland als topnatuur zou worden beschouwd. “Dat is voor sommige deelnemers misschien wel een eye-opener, dat dit hier kan op terrein dat gewoon nog in landbouwbeheer is”, zegt Gabriel Erens, de organisator van de excursie. “In België lopen de boeren in zekere zin achter en in dit geval is dat maar goed ook. Het zijn vaak kleine boertjes die dit type grasland veel langer in stand hebben gehouden dan in Nederland. Daar is zulke grond eerder maïsland geworden, bebost geraakt, of gewoon uit beheer gegaan.”
Erens is zelf een Vlaming in dienst van het Waalse Natagora en lid van het Nederlandse deskundigenteam Hevellandschap. Hij kan de situaties in verschillende landen of landsdelen dus aardig vergelijken. “Zou dat ook in Nederland kunnen? Ja, dat kan, maar ik zie geen particulieren of boeren dat zelf doen. Binnen natuurbeheer kan het natuurlijk wel. Maar dan nog zijn de omstandigheden anders. Door de verschillen in geologie zijn de Waalse terreinen wat extremer en voedselarmer. En er is een historisch verschil: veel Waalse terreinen zijn pas later officieel natuurgebied geworden, maar zijn wel langer in traditioneel agrarisch beheer gebleven, waardoor veel soorten behouden zijn gebleven die in Nederland verdwenen zijn. En jullie hebben in Nederland meer last van stikstofdruk dan in de Waalse terreinen.”
Net als vorig jaar bij de excursie in Duitsland, valt op dat het natuurbeheer in de verschillende landen totaal anders geregeld is. Het hele natuurbeheermodel zit in België ook economisch-maatschappelijk anders in elkaar, merkt Vlaamse deelnemer Wim Slabbaert op. “De regie ligt in handen van de terreinbeheerder, de uitvoerder is doorgaans een landbouwer. Die krijgt deze gronden gratis in beheer. Aangezien de gronden tot op zekere hoogte in handen blijven van een plaatselijke boer, is er een heel andere maatschappelijke betrokkenheid. Bovendien dragen beide natuurbeheerders op die manier in aanzienlijke mate bij aan het in stand houden van plaatselijke landbouwbedrijven, als tegengewicht aan de pletwals van de industriële landbouw.”
Afhankelijk van vrijwilligers of geld
foto: Koen Moons
In Wallonië zijn de budgetten laag en hebben natuurorganisaties maar een handvol vaste medewerkers. Veel van het werk wordt door vrijwilligers gedaan. En al zijn er ook tussen Wallonië en Vlaanderen veel verschillen, dát hebben ze met elkaar gemeen. “In Nederland is alles helemaal geprofessionaliseerd”, zegt Slabbaert, zelf bestuurslid bij Natuurpunt (vergelijkbaar met Natuurmonumenten). “Bij ons binnen Natuurpunt draait het juist voor honderd procent op vrijwilligers, ondersteund door personeel. Er zit veel expertise bij de professionals, maar ook bij onze vrijwilligers, en dat is een heel interessante mix. Onze vrijwilligers hebben alle verhalen al gehoord en kennen tegelijk de wetenschappelijke literatuur over dat type natuur waar ze aan werken door en door. En zij veranderen niet om de drie jaar van functie, want ze zijn vrijwilliger in hun eigen dorp. Dat zorgt voor heel veel kennisopbouw en continuïteit.”
Dat de afhankelijkheid van vrijwilligers ook kwetsbaar kan maken, blijkt bij een bezoek aan de Jekervallei, waar natuurherstel stokte door lage beschikbaarheid van vrijwilligers. Verschoor van Staatsbosbeheer ziet wel overeenkomsten met Nederland. “Natuurherstel in Nederland kan soms stagneren, bijvoorbeeld als een project is afgelopen en er geen geld meer is. In Wallonië gebeurt dat als er geen menskracht van vrijwilligers meer is.”
Volgend jaar in Nederland?
Aan het eind van de excursie gaan al stemmen op om volgend jaar iets vergelijkbaars in Nederland te doen. “Dat zou bijvoorbeeld over het omzetten landbouw naar natuur kunnen gaan. Daarover kunnen de Belgen en Duitsers weer veel van ons leren”, oppert onderzoeker Van Dijk. Als het aan Vlaming Slabbaert ligt, zou het daarbij ook weleens mogen gaan over daadwerkelijke samenwerking bij het realiseren van landsgrensoverschrijdende natuur. Want daarover is hij nu nog kritisch. “Als wij in Vlaanderen of Wallonië een plan maken, kijken we ook een paar kilometer over de grens, maar tot echte samenwerking met de Nederlanders komt het vaak niet. Wij staan open voor suggesties om onze ideeën te verbeteren, laten we daarover met elkaar in dialoog gaan.”