Het beekdallandschap in Nederland wordt gevormd door relatief laaggelegen gebieden aan weerszijden van beken, en de omringende hogere zandgronden. Beekdalen zijn bij uitstek gradiëntrijke landschappen, met veel variatie dus, en daarmee waardevol voor de natuur. Het omliggende landschap, het reliëf en de voeding door het grondwater bepalen het karakter van het beekdal. Factoren als kwel (lokaal of regionaal), kweldruk, inundatie en stagnatie van water spelen daarbij een belangrijke rol. Het karakter van het beekdallandschap kan sterk variëren. Een brongevoede beek in het stuwwallandschap verschilt bijvoorbeeld sterk van een beek gevoed door lokale kwel in glooiend dekzandgebied of een middenloop, gevoed door regionale kwel.
De beekdalen werden tot voor kort voornamelijk gebruikt als hooiland, in het algemeen in een zeer kleinschalig landschap. Restanten van het eeuwenoude beekdallandschap zijn op diverse plaatsen nog goed herkenbaar. Een centrale plek daarbij heeft de beek. In de laaggelegen gebieden treedt veelal voeding met grondwater op, net als in de beken zelf. Mede daardoor zijn de bodems hier veel minder zuur dan in de hoger gelegen gebiedsdelen, van waaruit ze worden gevoed. In diverse beekdalen in Limburg, Gelderland en Twente treedt ook grondwater uit via bronnen.
Tot het beekdallandschap rekenen we ook diffuse afvoersystemen, grote vochtige, vaak moerassige gebieden waarin beken ontbreken, maar waar wel de karakteristieke beheertypen van beekdalen voorkomen. Veel van deze gebieden in Overijssel en in de Achterhoek, zijn door ontginning verdwenen, maar lokaal vinden we nog restanten.
De grote variatie maakt het beekdallandschap uniek. Naast lokale gradiënten als gevolg van kleine verschillen in onder andere reliëf, grondsoort en doorlatendheid, vinden we er dwars gradiënten, loodrecht op de afvoerrichting van het water en lengtegradiënten. In stroomafwaartse richting verschuift de voeding door grondwater van kwel van lokale oorsprong, naar kwel van regionale oorsprong. Daarbij wordt het water vaak afgevoerd door de beek, met stroomafwaarts een toenemende kans op inundatie vanuit de beek.
De beek heeft in de loop van de tijd een belangrijke functie gekregen in de afvoer van water. De eisen die voortkomen uit de afvoerfunctie zijn vaak moeilijk in evenwicht te brengen met de eisen die de natuur aan beken en beekdalen stelt.
Het beekdallandschap wordt meestal begrensd door het ‘Droog zandlandschap‘ of het ‘Nat zandlandschap‘. Benedenstrooms grenst het vaak aan het ‘Rivierenlandschap‘.
We vinden het Beekdallandschap in gebieden waar afzettingen van de ijstijden uit het Pleistoceen of eerdere periodes aan de oppervlakte te vinden zijn, in het (noord)-oosten en zuiden van Nederland. In tegenstelling tot het (noord)-westen van ons land zijn deze afzettingen hier niet volledig bedekt door dikke lagen van jongere rivier-, zee- en veenafzettingen uit het Holoceen. Wel zijn in het beekdallandschap lokaal holocene beek- en veenafzettingen op de oudere afzettingen te vinden.
Het gebied waar Nederland ligt was tijdens de koudste periode van de voorlaatste ijstijd het Saalien voor een gedeelte bedekt met een ijstong. Doordat het ijs een dikke aardlaag voor zich uitschoof, ontstonden stuwwallen, waarvan de meest zuidelijke bij Nijmegen liggen. In Noord-Nederland werd een dikke laag keileem afgezet. In de laatste ijstijd (Weichselien) was Nederland een toendralandschap waarvan in de zomers alleen de bovenlaag ontdooide. Water en wind verplaatsten grof en fijn zand, leem en grind, waardoor ruimtelijke verschillen in bodemsamenstelling ontstonden. Tegen het einde van deze ijstijd werden in het zuiden en oosten hoge zandruggen gevormd. Deze ruggen strekken zich uit van het noordoosten naar het zuidwesten. Tussen de stuwwallen en deze zandruggen ontstonden later de beekdalen.
Omdat tijdens de ijstijd verschillende warmere perioden voorkwamen, traden herhaaldelijk processen van wegslijting en afzetting van materiaal door water op. Omdat afzetting van materiaal door water soms stopte en dan weer opnieuw begon, werden lagen van verschillende korrelgrootte afgezet. De ondergrond heeft hierdoor grote verschillen in doorlatendheid, ook raakte het landschap plaatselijk verstopt. In warmere perioden ontstond in de natter wordende laagtes op grote schaal veen, dat later de hydrologie weer beïnvloedde. Het water stroomde van hoger naar lagergelegen delen van het landschap via de ondergrond of via natuurlijk gevormde beken.
Een deel van die venige laagten die tussen de eerdergenoemde zandruggen zijn ontstaan, wordt als beekdalen aangeduid. Hier treedt water uit afkomstig vanuit de hogere zandgronden. We vinden hier meestal wat voedselrijkere typen van veen of resten van zulke venen. Echte beken zijn hier niet altijd aanwezig geweest. In vrij veel van die oorspronkelijke venen zijn geen oude beekafzettingen of andere sporen van beken aanwezig. Daar werd in het verleden het water voornamelijk via de flexibele bovenlaag van het veen afgevoerd; het waren zogenoemde doorstroom-moerassen. De meanderende beekstelsels die wij nu kennen, zijn veelal ontstaan doordat boeren deze venen begonnen te ontwateren voor grasproductie.
De ontgonnen gronden langs de beek werden gebruikt als hooiland. Ze werden begrensd door de hoger gelegen zandgronden, oorspronkelijk waren dat vooral droge heidegronden. Akkers werden aangelegd op de zandgronden die het dichtst aan het beekdal grensden. Ze waren voor een succesvolle oogst afhankelijk van de jaarlijks aan te voeren mest van de dieren die onder meer voor dat doel werden gehouden.
Lees meer in het Rapport Integraal beekherstel,
Door de aanleg van sloten en greppels, drainage, verharding van het oppervlak in bebouwd gebied, verbreding en verdieping van de beek is de drainage, de afvoer van water, via beken sterk versneld. Dit heeft geleid tot verdroging en verzuring van het omliggende landschap.
We vinden het Beekdallandschap in het oosten en zuiden van het land. De beekdalen vormen het afwateringssysteem van het zandlandschap, het Beekdallandschap grenst direct buiten de beekdalen dan ook aan andere landschappen, vooral Droog- en Nat zandlandschap, deels met veen.
Op de landschappelijke bodemkaart is mooi te zien hoe de beekdalen vanuit een fijn vertakt systeem van smalle bovenlopen zich stroomafwaarts ontwikkelen tot bredere beekdalen en in de laagste delen tot beekvlakten, vaak met een kleidek. Dit zijn de overgangen naar het rivierenlandschap of zeekleilandschap. Vanwege het fijnmazige karakter kunnen niet alle delen van beekdallandschap op deze kaart worden aangegeven. Op detailkaarten kunnen bijvoorbeeld ook kwelzones en venige delen van het beekdal worden onderscheiden.
Dwarsdoorsnede van het Beekdallandschap met ligging van beheertypen (klik op de pointers), hydrologie en gradiënten in het landschap. © Oscar Langevoord / naar Runhaar et al. (2000)
Het belangrijkste bepalende proces voor de vegetatie in beekdalen is aanvoer van grondwater vanuit de hogere gronden. De hoeveelheid en de samenstelling van dit water kan in boven- midden- en benedenloop van de beek sterk verschillen. Maar ook lokaal kunnen eigenschappen van de ondergrond samen met het reliëf bepalend zijn voor vochtigheid, voedselrijkdom en zuurgraad.
De kweldruk is zeer wisselend en bepaalt de vochtigheid. De afkomst van de kwel bepaalt de samenstelling: vaak is lokale kwel voedselrijk en arm aan basen en ijzer, omdat het door uitgeloogde afzettingen is gestroomd. Regionale kwel uit grotere hydrologische systemen is vaak basenrijk (en dus minder zuur). De infiltratiegebieden liggen vaak kilometers verderop en het water heeft een lange weg afgelegd, waardoor het rijk is aan basen en ijzer, maar arm aan sulfaat.
De losse sedimenten waardoor het regionale grondwater zich in de huidige tijd beweegt, zijn tijdens de ijstijden als rivierafzetting ontstaan. Deze watervoerende lagen worden onderbroken door slecht doorlatende lagen. In het noordoosten van Nederland is ook een laag keileem afgezet. Ondoorlatende laagjes kunnen ook zorgen voor schijngrondwaterspiegels. Zeker in gestuwd gebied komt dit veelvuldig voor en ontstaan natte plekken, hellingvenen en/of ontspringen er bronnen op deze lagen.
Door de verschillen in ondergrond en de doorlatendheid van die ondergrond, zijn de omstandigheden, en daarmee de natuur, in het beekdallandschap in de huidige tijd heel divers. Er zijn naast verschil in grondsoort, grote verschillen in reliëf en vochtigheid in beekdalen. Ook de herkomst van het water speelt een grote rol: regenwater, grondwater, lokale kwel, regionale kwel, overstroming met beekwater. Deze verschillen in hydrologie en hydrochemie zijn van groot belang voor de karakteristieke soorten.
Parallel aan de beek liggen vaak natte schraallandjes. Deze graslanden staan meestal onder invloed van toestromend grondwater. Kleine hoogteverschillen leiden hier al snel tot grote verschillen in de vegetatie. Op overgangen naar iets drogere gronden kunnen Nat schraalland en Natte en droge heide voorkomen. Juist deze gradiënten maken de beekbegeleidende graslanden zeer soortenrijk met zeggen en orchideeën.
De verschillende hydro-ecologische en aquatisch-ecologische typen voor beekdalen, staan beschreven in het pre-advies Beekdallandschappen (tabel op pagina 116/117). Dit is een nuttig hulpmiddel wanneer men van plan is in te grijpen in beekdalen.
Tot in het recente verleden zorgde overvloed van water voor het ontstaan van uitgestrekte venen met vaak een hoge biodiversiteit. Daarnaast werkten deze venen als een soort spons die het water in natte tijden opnam en in droge tijden weer langzamerhand liet gaan. Hierdoor werden waterstandfluctuaties in de beken sterk gedempt. De ontginning van de meeste van deze beekdalvenen in vooral de 20e eeuw leidde niet alleen tot een verlies aan biodiversiteit maar ook tot een sterke toename van de kans op overstroming. Herstel van beekdalvenen is daarom niet alleen van belang voor de natuur maar ook voor de menselijke veiligheid.
Naast beïnvloeding door grondwater is er op de lager gelegen gronden langst de beek benedenstrooms van nature ook een sterke invloed van het water uit de beek, doordat ze periodiek overstroomde, inundatie genoemd. Het beekwater zelf was van nature ook een mengsel van basenrijk grondwater en neerslagwater. Door beïnvloeding van landbouw en rioolwater is de kwaliteit van het beekwater achteruitgegaan. Ook namen overstromingen van het beekdal toe toen heiden en venen werden ontgonnen. Als reactie hierop werden ingrepen uitgevoerd om de drainage te vergroten. De meeste benedenstroomse beekdalen zijn inmiddels veranderd van kwel-in infiltratiegebied. In de zomer wordt gebiedsvreemd water aangevoerd, met andere samenstelling.
De stroming van het beekwater leidt tot wegslijting en afzetting van materiaal, zogenoemde erosie en sedimentatie. Erosie-Sedimentatie processen behorende bij actieve meandering kunnen in Nederlandse beken nauwelijks voor komen vanwege een laag stromingsvermogen. Op kleinere schaal is er wel sprake van erosie en sedimentatie op de beekbodem, Dit beïnvloed substraatpatronen en houdt daarmee de kwaliteit en variatie van de beekbodem in stand en versterkt de biodiversiteit. Ook zijn er verschillen waar te nemen als gevolg van de afmetingen van de beek van bovenloop tot riviertje. Waar de beek periodiek overstroomt, is er lokale variatie wat betreft de overstromingsduur, de frequentie, de waterkwaliteit en de mate waarin slib bezinkt. Slib bestaat uit fijne deeltjes met daaraan gebonden voedingsstoffen.
Het beekdallandschap wordt begrensd door verschillende andere landschappen, zoals het rivierenlandschap, het natte zandlandschap, het cultuurlandschap en soms het droge zandlandschap. Hierdoor zijn talrijke overgangen aanwezig tussen beheertypen, bijvoorbeeld van beek naar rivier, van nat schraalland naar vochtige heide, van beekbegeleidend bos naar drogere bostypen en van vochtig hooiland naar kruiden- en faunarijke akkers. Deze overgangen worden, mits goed ontwikkeld, gekenmerkt door gradiënten in vocht, buffering en trofiegraad, die belangrijk zijn voor de biodiversiteit.
Veel soorten gebruiken in hun levenscyclus meerdere van deze beheertypen. Riviervissen zoals winde, kopvoorn en rivierprik (eigenlijk geen vis maar een rondbek) trekken van de vanuit de rivier beken in om te paaien. Beeklibellen zoals bosbeekjuffer en beekrombout leven als larve in de beek, maar zoeken als jonge imago’s bosranden, open bossen en ruigten op om te foerageren en te schuilen. Vleermuizen zoals watervleermuis en rosse vleermuis jagen vaak in beekdalen, maar hebben hun kolonies meestal in het bos. Reptielen als ringslang en amfibieën als kamsalamander en knoflookpad leven in poelen en moerassen in beekdalen, maar overwinteren hoger en droger in bossen, houtwallen, of akkers. Dagvlinders als grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en spiegeldikkopje profiteren van beschutte, vochtige, nectarrijke bosranden op de flanken van beekdalen. Tenslotte bieden de abiotische gradiënten op overgangen van verschillende beheertypen ook de noodzakelijke standplaatscondities voor een groot aantal plantensoorten.
In het beheer en herstel van beekdallandschappen is dan ook aandacht nodig voor de relaties met omliggende landschappen, overgangen tussen beheertypen, interne gradiënten en de landschapsecologische processen die daaraan ten grondslag liggen.
De beek heeft in de loop van de tijd een belangrijke functie gekregen in de afvoer en soms ook aanvoer van water. De eisen die voortkomen uit deze functies zijn op veel plaatsen in het beekdal leidend geworden. Deze eisen zijn vaak moeilijk in evenwicht te brengen met de eisen die de natuur, vaak op andere plaatsen, aan beken en beekdalen stelt.
Het beekwater bestaat tegenwoordig voor een groot deel uit water uit rioolwaterzuiveringsinstallaties. In veel beken is de instroming van water uit de rioolwaterzuiveringsinstallaties, het enige dat voorkomt dat ze in droge periodes droogvallen. Hoewel niet van de gewenste kwaliteit, is de aanvoer van dit water vaak cruciaal ook voor natuurwaarden.
Ten behoeve van afvoer en “normalisatie” is de morfologie van de meeste beken sterk aangetast door vergraving en door kunstwerken; meestal gingen de aantastingen gepaard met een verlaging van het waterpeil. Waar beken niet zijn genormaliseerd, zijn de beken toch dieper ingesneden als gevolg van bovenstroomse ontwatering. Wanneer dan piekafvoeren voorkomen treden zeer hoge stroomsnelheden op met als gevolg erosie van de beekbodem. Dit proces in zijn geheel leidt tot verdroging van het aangrenzende beekdal. Het is een zichzelf versterkend proces dat nu op grote schaal voorkomt in de meer natuurlijke/waardevolle beeksystemen. Door de sterke verandering van het afvoerregime is ook de dynamiek van het bodemvormende proces in de beek, de uitsortering van fijnkorrelige bodems en grove grindbanken, aanzienlijk veranderd.
Gedaalde grondwaterstanden in de beekdalen zijn vaak het gevold van diepe ontwatering van omliggende landbouwgebieden, zowel in de intrekgebieden als op de beekdalflanken. Daarnaast vindt soms waterwinning voor drinkwater of industrie plaats. De hiervoor genoemde diepe insnijding van de beek zorgt daarnaast voor een sterkere ontwatering door de beek zelf.
Een verlaging van het grondwaterpeil beïnvloedt de voedselrijkdom en zuurgraad, doordat het zorgt voor een grotere invloed van regenwater in de wortelzone. Een laag zuur regenwater ligt bovenop het basenrijke grondwater.
De waterkwaliteit in de meeste beken is matig tot slecht als gevolg van de toevoer van met nitraat en/of sulfaat, direct en indirect, verontreinigd oppervlakte- en grondwater vanuit het beekdal en de intrekgebieden eromheen. Bij piekafvoeren wordt veel fosfaatrijk slib opgewerveld van de bodems van waterlopen. Bij overstroming kan slibafzetting leiden tot vermesting van daar gelegen broekbossen, moearasvegetaties en schraalgraslanden.
Veel kwelzones in beekdalen worden met nutriënten verrijkt grondwater gevoed als gevolg van toevoer van nitraat en sulfaat in het intrekgebied. Deze stoffen spoelen uit in het intrekgebied door bemesting en atmosferische depositie. Kwelzones die gevoed worden door kleine grondwatersystemen met een korte verblijftijd worden al belast met vervuild grondwater. In geval van grotere grondwatersystemen met lange verblijftijden is de vervuiling nog onderweg. Nitraat kan in de ondergrond worden afgebroken, wat vaak leidt tot verhoogde sulfaatconcentraties in het toestromende grondwater. Veel kwelzones hebben daardoor te kampen met een sulfaatprobleem. Hogere stofconcentraties en kwelfluxen kunnen in kwelzones zorgen voor zeer hoge stoffluxen van nitraat en sulfaat. Beide stoffen hebben op korte of langere termijn nadelige effecten op de standplaatscondities van kwelafhankelijke natuurtypen, zoals broekmossen, moerassen en schraalgraslanden, door verhoogde afbraak van organische stof en eutrofiering. Hoe en wanneer die effecten uitpakken, hangt af van de chemische samenstelling van het toestromende grondwater, de stoffluxen en de geochemie van de bodem in kwelzones. Sterke afbraak van organische stof kan ook veenvorming belemmeren. De aanvoer van veel sulfaat kan leiden tot accumulatie van sulfiden in de bodem van kwelzones. In droge perioden met een lange grondwaterstand kan door oxidatie van deze sulfiden extreme verzuring optreden (‘zuurbom’)
Alle beekdalen zijn daarnaast belast door hoge atmosferische deposities van stikstof en zwavel. Vooral natte schraalgraslanden, kalkmoerassen en trilveenvegetaties kunnen gevoelig zijn voor de actuele stikstofdeposities. Daarnaast lijkt het erop dat de vroegere deposities van zure stoffen, in combinatie met verdroging, in sommige gebieden hebben geleid tot o.a. een aanzienlijke vermindering van de ijzervoorraad. De bufferende werking van ijzer, die o.a. dient om fosfaat vast te leggen, kan daardoor sterk zijn aangetast. Hoge zwaveldepositie in het verleden kan geleid hebben tot sterke accumulatie van sulfiden in natte bodems. In droge perioden kan dat zorgen voor bovengenoemd ‘zuurbom’ effect.
Vasthouden en bergen van water zijn nodig om droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering tegen te gaan. Vasthouden van water in bovenstroomse gebieden is de meest effectieve manier om verdroging tegen te gaan en tegelijkertijd piekafvoeren te verminderen. Door de gegraven waterlopen bovenstrooms te dempen wordt het water langer vastgehouden in de bodem en in natte laagtes en treden bij piekbuien minder piekafvoeren op. De natuur profiteert van dit herstel van het oorspronkelijke watersysteem doordat verdroging teniet wordt gedaan en weer natte heiden, vennen, broekbossen en doorstroommoerassen ontstaan op plekken die in het verleden zijn ontwaterd.
Water vasthouden is niet altijd voldoende om wateroverlast door piekafvoeren tegen te gaan. Als ‘second best’ oplossing kan dan in benedenstroomse gebieden gebruik worden gemaakt van berging in laaggelegen delen van het beekdal. In hoeverre dit gunstig is voor de natuur hangt sterk af van de inrichting van de waterbergingsgebieden. In grote gebieden kan de berging van water bijdragen aan de biodiversiteit door het ontstaan van gradiënten in dynamiek en voedselrijkdom. Wanneer te veel water wordt geborgen in te kleine gebieden zijn de mogelijkheden voor natuurontwikkeling gering als gevolg van de hoge dynamiek en de grote nutriëntenaanvoer.
Ook zonder forse ingrepen is soms al veel winst te behalen. Alleen al minder maaien van vegetaties in beken kan leiden tot het langer vasthouden van water en het vertragen van de afvoer, waarbij meer voedingsstoffen omgezet of opgenomen kunnen worden in de vegetatie.
Als gevolg van verdroging en bemesting vindt in de veenweiden veenafbraak plaats. Venen functioneren dan niet meer als een koolstofopslag, maar als een koolstofbron. De veenafbraak leidt tot bodemdaling, slechte waterkwaliteit en uitstoot van broeikasgassen. De afbraak van veen is te stoppen door de waterstanden te verhogen en te stoppen met bekalking en bemesting. Voor het op gang komen van veenvorming zijn optimale hydrologische omstandigheden nodig. Tijdens het groeiseizoen mag het grondwaterpeil niet te ver wegzakken of te ver stijgen. Het beste is een relatief stabiel peil met maximaal 30 cm fluctuatie. Hiervoor zullen meestal vernattingsmaatregelen nodig zijn.
De Kaderrichtlijn Water (KRW) is primair gericht op de waterkwaliteit in de beek zelf waarbij de macrofauna, waterplanten en vissen de belangrijkste doelen en indicatoren zijn. De doelen van de KRW hebben een nauwe relatie met het gehele beekdallandschap. Het OBN Deskundigenteam Beekdallandschap denkt dat herstel en ontwikkeling van een beekdallandschap goed samen kan gaan met het werken aan de KRW-doelen: als het landschap op orde is (wat helaas lang niet overal mogelijk is), zal het in grote lijnen ook goed komen met de morfologie en de biologische parameters van de KRW. Andersom is dat lang niet altijd het geval: laten meanderen van de waterloop is geen garantie voor herstel van flora en fauna. En de aanleg van een vistrap betekent niet dat het ecosysteem zich zal herstellen. Met alleen baggeren van de waterloop zal de beoogde macrofauna niet terugkeren. Alleen door te werken aan systeemherstel zullen de maatregelen effectief en vooral ook duurzaam zijn.
Beekdallandschappen zijn bij uitstek afhankelijk van een goede hydrologische samenhang op landschapsschaal. Het is zaak de inrichting van beekdallandschappen vooral op landschapsschaal te bezien. Om de geplande beheertypen in beekdalen te realiseren, zijn veelal nog ingrijpende maatregelen nodig in het gehele stroomgebied. Speerpunten zijn daarbij in de eerste plaats het water in de beken zelf, periodieke overstroming, beperkte fluctuaties in de capaciteit, het debiet, en een goede waterkwaliteit. Het herstel van deze kenmerken vereist in het algemeen veranderingen in het complete bovenstroomse gebied, inclusief het intrekgebied van het grondwater dat het beekdal voedt. Op de tweede plaats is het van belang om het grondwatersysteem van het gebied te herstellen. Daarvoor zijn vooral maatregelen nodig op de beekdalflanken, dus in richtingen dwars op de beek. Van alle maatregelen kan slechts een deel in de natuurgebieden zelf genomen worden. Ook in de landbouwgebieden zijn maatregelen nodig, met name om meer water vast te houden en om de kwaliteit van het uittredende grondwater te verbeteren.
Het is van belang te begrijpen hoe het hydrologische systeem in elkaar zit, hoe de beek daarin functioneert of vroeger functioneerde. Bovendien is kennis nodig over de voor natuurherstel vereiste grond- en oppervlaktewaterkwaliteit voordat overgegaan wordt tot uitvoering van inrichtingsprojecten.
In veel gebieden is vernatting gewenst én verbetering van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit. Daarvoor is het nodig dat zoveel mogelijk neerslag zolang mogelijk wordt vastgehouden in de bovenloopgebieden en dat zo weinig mogelijk meststoffen uit- en afspoelen naar het grond- en oppervlaktewater. In de beken zelf zijn meestal ook herstelmaatregelen nodig zoals verwijderen van kunstwerken, verondiepen, versmallen, kronkeling opnieuw mogelijk maken. De lokale condities van de beekloop horen te passen bij het traject, bij boven-, midden- of benedenloop. Waar gegraven waterlopen een bottleneck zijn voor integraal herstel van het beekdal zullen ze moeten worden gedempt. Als dat gebeurt, kunnen daar bijvoorbeeld bronsystemen ontstaan en zich moerassen vormen.
Relevant zijn hierbij ook de Herstelstrategieën Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Per beheertype/habitattype staan hier herstelmaatregelen geformuleerd.
Het verhogen van beekbodems, de plek in het systeem en de manier waarop dat het beste gebeurt, is een maatregel die nog ter discussie staat. Omdat deze maatregel zowel positieve als negatieve effecten kan hebben op het ecosysteem, is een deskundige afweging voor iedere beek opnieuw nodig om verslechtering van de situatie te voorkomen.
De inrichtings- en herstelmaatregelen zijn per stroomgebied zodanig af te wegen en in te plannen dat duurzame populaties ontstaan van flora en fauna, waaronder die van de nog aanwezige zeldzame soorten. Als dat nodig lijkt kunnen eventueel extra maatregelen worden uitgewerkt ten behoeve van bepaalde soorten of soortgroepen, die dan ‘bovenop’ de maatregelen voor het herstel van de stroomgebieden of deelstroomgebieden worden toegepast. Denk daarbij bijv. ook aan trekroutes en paaiplekken voor vissen. Het is mogelijk dat in sommige gebieden maatregelen nodig zijn om te verhinderen dat sediment neerslaat in natuurgebieden waar dat niet gewenst is.
Om de verontreinigingen van diffuse herkomst te stoppen, zijn ook maatregelen nodig in het gehele stroomgebied. Vooral fosfaatverontreinigingen, maar mogelijk ook nitraat- en sulfaatverontreinigingen, zijn een probleem. Het is belangrijk dat de verschillende maatregelen goed worden gecoördineerd. Als overstromingen, natuurlijke inundaties of kunstmatige bevloeiing, worden toegelaten voordat de waterkwaliteit op orde is, vergroot dat het verontreinigingsprobleem. De meeste verontreinigende stoffen worden gebonden aan slibdeeltjes afgezet op plaatsen waar dat ongewenst is. Het kan zinvol zijn om schoon- en vuilwaterstromen te scheiden, mits de afvoerdynamiek van de beek daarmee niet negatief wordt beïnvloed. Voor het herstel van de grondwaterkwaliteit is in de intrekgebieden beëindiging of vermindering van de bemesting noodzakelijk.
In Deskundigenteam Beekdallandschap werken bos- en natuurbeheerders, onderzoekers van universiteiten of adviesbureaus en beleidsmakers van rijk, provincies of waterschappen samen aan de benodigde kennis voor dit landschap.