Het Duin- en kustgebied omvat de gebieden langs de noord- en westkust van Nederland die van nature ontstaan zijn onder invloed van wind- en waterdynamiek. De door op- en uitwaaiing gevormde zandduinen beschermen het laaggelegen achterland tegen de zee en hebben een voor Nederlandse begrippen grote mate van natuurlijkheid.
Op het vasteland bestaat ‘de duinstreek’ in feite uit de jonge duinen aan de kust, en de restanten van de oude duinen meer landinwaarts. De reliëfrijke jonge duinenstrook is direct langs de kust gelegen en dit is wat we gewoonlijk met duinen bedoelen. Deze duinen zijn niet ouder dan circa 1200 jaar. Grote delen van de veel oudere strandwallen- en strandvlaktelandschappen zijn in landbouwgebruik of verstedelijkt. Ook is er op de oude duinen vrij veel bos te vinden.
Delen van de kust bestaan uit schorren of kwelders, laaggelegen zandige of slikkige gronden, die regelmatig – van dagelijks tot enkele keren per jaar – worden overstroomd door zeewater. De natuur van de kustduinen en kwelders is vaak zeer waardevol en soortenrijk.
Van oorsprong vormt ons duin- en kustgebied de rand van een delta. De rivieren zorgen voor een aanvoer van klei- en zanddeeltjes en ook via de zee vindt zandaanvoer plaats. Tot het begin van onze jaartelling was er sprake van een aangroeiende kust. Op de grens van zee en land ontstonden voortdurend langgerekte, lage duinreeksen: de zogenoemde strandwallen. Bij doorgaande zandlevering vanuit zee ontstonden kilometers brede stranden, waarop zich, onder gunstige omstandigheden, dicht bij zee, telkens weer nieuwe strandwallen ontwikkelden. Zo zijn de min of meer evenwijdige bundels van strandwallen ontstaan waarop onze grote steden tot ontwikkeling kwamen, van Alkmaar tot Den Haag. De duinen die door de winddynamiek op deze strandwallen werden gevormd noemen we de oude duinen.
Aan het eind van de vroege Middeleeuwen vond onder invloed van klimaatverandering een omslag plaats van kustaangroei naar kustafbraak. In de daaropvolgende periode zijn de meest westelijke van de oude strandwallen en -vlakten weer door de zee verzwolgen. Ondertussen werd het weggespoelde zand meer landinwaarts opnieuw afgezet: zo zijn de huidige duinen ontstaan, die ook wel ‘jonge duinen’ worden genoemd. Dat er tijdens perioden van afbraak plaatselijk ook aanwas kan plaatsvinden, heeft te maken met getijdestromingen en windwerking. Meer hierover is te vinden in ‘Nederlandse kustduinen – geologie en bodems‘. De afslag van onze westkust gaat tot op de dag van vandaag door. In het waddengebied vindt behalve afslag ook kustaangroei plaats. Ook is dit langs de westkust op sommige plekken te zien met name aan de noordoostelijke kant van de eilandkoppen in de Zuidwestelijke Delta zoals Kwade Hoek, het Verklikkerstrand en voor de kust van Voorne. Deels is dit een reactie op de afsluiting van de bekkens door de Deltawerken, de aanleg van de Maasvlakte en suppleties elders in de delta.
In de beschutting van de duinenrijen vond via de zeegaten over grote oppervlakten afzetting van zand en slib plaats. Vroeger kwamen er meer zeegaten voor, zoals het Oer-Y bij Castricum. Op de zand en slikplaten ontstonden uitgestrekte zoutmoerassen, ook aangeduid als kwelders. Op den duur, naarmate ze meer geïsoleerd raakten van de zee, gingen deze kwelders verzoeten en ontwikkelden zich hoogvenen, laagveenmoerassen of bossen. Net als de duinvorming is de kweldervorming afhankelijk van een dynamisch evenwicht.
In het water vond vanouds op luwe plaatsen afzetting van materiaal plaats waardoor zich grote zeegrasvelden vormden. Hier tussendoor ontstond een fijnmazig patroon van geulen en geultjes die onder meer verschilden qua diepte, stroomsnelheid, getijdenverschil en bodemsamenstelling. Waar een riviermonding aanwezig was, nam het aantal van de onderwaterbiotopen nog verder toe vanwege de milieuovergangen van zoet naar zout. Zo ontstond ons bijzonder grote zoetwatergetijdengebied in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta.
Het kustlandschap in zijn huidige vorm is niet alleen door natuurlijke processen gevormd. Van oudsher bestonden in het duingebied nederzettingen en duinboerderijen, die hun sporen hebben achtergelaten. In de 19de en 20ste eeuw zijn alle grootschalige mobiele duinen dichtgeplant met helm en naaldbos om de duinen productief te maken. De laatste mobiele duinen zijn in de jaren 1920 bij Schoorl vastgelegd. Laaggelegen kustgebieden werden bedijkt en door het afsluiten van de Zuiderzee en realisatie van de Deltawerken zijn de meeste grootschalige overgangsgebieden tussen zoet en zout water verdwenen.
Op de landschappelijke bodemkaart voor het Duin- en kustlandschap zien we drie hoofdeenheden die op kaarten met meer detail verder onderverdeeld kunnen worden naar kalkgehalte, mate van dynamiek en bodemvorming. Zo komen in de duinen dicht bij zee dynamische, overwegend kalkrijke, blonde duinen voor en landinwaarts de grijze duinen waar grootschalige dynamiek afwezig is en de bodemontwikkeling op gang komt.
Omdat neerslagwater snel wegzakt in het duinzand, lost kalk op uit de bovengrond. Door verschillen in oorspronkelijk kalkgehalte en mate van ontkalking ontstaat een grote variatie in bodemvorming. De vlaktes bestaan overwegend uit zand, hier en daar met klei- of veenlagen. Hier zijn grondwaterstanden en waterkwaliteit (brak of zoet) belangrijk voor de bodemvorming. In het zoutwater getijdenlandschap is de oppervlaktewaterdynamiek bepalend voor de afzetting van zandig of kleiig sediment. De vormen die daarbij gevormd worden (geulen, ruggen, platen) verschillen in overstromingsfrequentie en daarmee als groeiplaats voor verschillende vegetaties.
Dwarsdoorsnede van het Duin- en kustlandschap met ligging van beheertypen (klik op de pointers), hydrologie en gradiënten in het landschap. © Oscar Langevoord / OBN (gebruik zonder toestemming niet toegestaan)
Verreweg het belangrijkste proces dat een rol speelt bij de vorming en het functioneren van duinen is de dynamiek onder invloed van water en wind. Wanneer bij storm de begroeide duinvoet van de buitenste duinenrij wordt weggeslagen, ontstaat een kale zeereepklif waarop de wind makkelijk vat heeft. Windkuilen groeien dan uit tot hoefijzervormige microparaboolduinen, die zich kunnen losmaken van de buitenste duinenrij en dan landinwaarts bewegen. Daar kunnen zij uitgroeien tot macro- of zelfs megaparaboolduinen met soms wel een breedte van meer dan 1 kilometer. Aan de voorzijde van mobiele duinen, de ‘lijzijde’, wordt de bestaande begroeiing, inclusief bossen, verzwolgen en aan de achterzijde, de ‘loefzijde’ ontstaat telkens opnieuw een pioniermilieu. Dat is meestal een nat milieu, omdat een massieve verstuiving in ons land altijd tot aan het grondwater doorgaat.
Dit proces van enerzijds opbouw en anderzijds afbraak is nodig om de jonge stadia van het duinvormingsproces in het duingebied te behouden en er de grote ruimtelijke afwisseling niet te verliezen. Die afwisseling is zeer belangrijk voor veel plant- en diersoorten.
In de loop van de duinvorming vindt van nature een vegetatiesuccessie plaats, waarbij kaal zand begroeid raakt en er zich via een reeks van begroeiingsstadia gesloten bos kan vormen. De meest waardevolle stadia voor zowel flora als fauna zijn de jongere stadia van de successiereeks: embryonale duinen, helmduinen – ook wel aangeduid als witte duinen – en de dun begroeide kruidenrijke gedeelten van grijze duinen en kalkrijke duinvalleien. De volgende stadia, duinheiden en duingraslanden, kunnen zich lange tijd handhaven. Enerzijds als gevolg van de invloed van zout en stuivend zand, anderzijds door maai- of begrazingsbeheer. Naarmate de successie voortschrijdt onderscheidt zich de soortensamenstelling van de duingemeenschappen steeds minder van die in het binnenland. Omdat slechts weinig oude begroeiingsstadia onaangetast bewaard zijn gebleven is maar weinig bekend over in welke mate oude duinvalleien en duinbossen gekenmerkt worden door eigen soortcombinaties.
In het Nederlandse duin worden twee floradistricten onderscheiden: het kalkarme Waddendistrict in het noorden en het kalkrijke Renodunaal district in het zuiden. De grens tussen beide loopt door het Noord-Hollands Duinreservaat bij Bergen. Binnen het Renodunale district hebben de Zeeuwse eilanden een aparte positie, omdat de kalkgehaltes daar naar het zuiden toe weer afnemen waardoor dit gebied een beetje het midden houdt tussen de Wadden en de Hollandse Duinen. Het zand waaruit de duinen in het Renodunaal district zijn gevormd is rijker aan kalkresten en mineralen zoals ijzer en magnesium. Dit is het gevolg van de aanvoer van mineraalrijk zand uit het Rijnsysteem en van een rijkere schelpenfauna met eenvoudig te vergruizen schelpen. Dit verschil in kalkgehalte en mineralenrijkdom in de beide districten heeft veel invloed op de successie. Niet alleen komen er andere soorten voor in duinlandschappen met een verschillend kalk- en mineralengehalte, ook de vegetatiestructuur is anders. In kalkrijke duinen vindt veel eerder struweelvorming plaats dan in kalkarme duinen. De verschillen in kalkgehalte, plantensamenstelling en vegetatiestructuur hebben uiteraard ook grote invloed op de samenstelling van de fauna. Daarnaast maakt dit ook dat het beheer en de beheersintensiteit tussen deze districten verschilt.
Zout zeewater, dat zwaarder is dan zoetwater, dringt ver landinwaarts door in de ondergrond. Dankzij het neerslagoverschot en wegzijging van regenwater in de zandbodem vormt zich in het duinsysteem een bolvormige ‘zoetwaterbel’ of ‘lens’, die als het ware op de zilte onderlaag drijft. Voor alle natuurlijke of nagenoeg natuurlijke natte duinlandschappen is deze zoetwaterbel essentieel. Doordat de bel afhankelijk is van het neerslagoverschot, krimpt deze in de zomer enigszins en zet in de winter weer uit. In een natuurlijke situatie treedt in de centraal gelegen duingebieden een wisselende waterstand op, terwijl aan de randen van de duinsystemen, bij een vrij stabiele waterstand, permanent water weglekt via kwel of via duinbeekjes. Naarmate het duin breder is, bolt deze bel sterker op en wordt het zilte water ook dieper weggedrukt in de ondergrond. Bij een smaller en lager duingebied is de zoetwatervoorraad kleiner en daardoor gevoeliger voor verstoringen in de waterhuishouding. In een aangroeiend duin zal de grondwaterwaterstand stijgen en dan kunnen duinvalleien veranderen in duinmeren. In een duingebied dat smaller wordt, bijvoorbeeld door kustafslag, zal juist verdroging van natte systemen optreden.
In een natuurlijk duin zijn vrijwel altijd gaten aanwezig in de buitenste duinenrij. In die bijzondere gevallen waar de achterliggende duinvalleien niet veel hoger liggen dan het strand en de zee af en toe door die gaten heen stroomt, vormen zich achter de gaten overstromingsvlakten die onder invloed staan van zout water. Ons land kende vroeger overstromingsvlakten van heel verschillend formaat; de omvang varieerde van enkele vierkante meters tot de omvang van de vroegere Zuiderzee. In de grote systemen was plaats voor uitgestrekte kwelders, zeegrasvelden en begroeiingen van brakke wateren. De grote overstromingsvlakten zijn gekrompen door ingrepen zoals bedijkingen. Maar ook de hele kleine overstromingsvlakten kunnen een zeer bijzondere overgang van zout naar zoet ontwikkelen. We kennen diverse plantengemeenschappen die alleen voorkomen aan de duinvoet op de overgang naar kwelders. Hier vindt enerzijds toestroming van zoet en vaak ijzerhoudend grondwater plaats en anderzijds incidentele overstroming met zeewater.
In het Duin- en Kustlandschap zijn veel diersorten gebonden aan een specifiek deel van de duinen. Zo is een klein aantal diersoorten gebonden aan helm als voedselplant, zoals de rupsen van de helmgrasuil, de mot Apatetris kinkerella, de dwergcicade Psammotettix maritimus, en de bladluizensoort Schizaphis rufula. Voor veel andere diersoorten die ook van andere grassen kunnen leven, vormt helm niettemin een belangrijke voedselbron, zoals veel soorten kevers. De overgangszone tussen witte en grijze duinen is het belangrijkste leefgebied van de duinsabelsprinkhaan.
Intacte grijze duinen kennen een zeer rijke fauna: de afwisseling van kale en begroeide plekken, vegetatiestructuur, bodemontwikkeling en bloemrijkdom maakt dat veel diersoorten hier een geschikte leefomgeving vinden. Enkele van de karakteristieke diersoorten zijn in Nederland inmiddels uitgestorven, zoals de griel en het duingentiaanblauwtje. Karakteristieke diersoorten die momenteel in de grijze duinen leven zijn onder andere tapuit, blauwvleugelsprinkhaan en veel soorten bijen, wespen en loopkevers. Voorbeelden van vlinders zijn de kleine parelmoervlinder, grote parelmoervlinder en duinparelmoervlinder. Deze vlinders zijn allemaal als rups afhankelijk van viooltjes.
Zoals in alle Nederlandse ecosystemen oefent de mens ook in het duin- en kustgebied invloed uit op de grootschalige ecologische processen en de dynamiek van het systeem. Door het vastleggen van de duinen ten behoeve van de kustverdediging en het tegengaan van kustafslag en verstuiving zijn spontaan verjongende duinen zeldzaam geworden, waardoor vergrassing, verruiging en verstarring optreden.
De kwaliteit van kwelders wordt sterk bedreigd door een toenemende veroudering van de vegetatie, door de ruimtelijke vastlegging van de kwelders. Hierdoor ontstaan monotone vegetaties.
In de Oosterschelde eroderen sinds aanleg van de stormvloedkering de platen en slikken, als gevolg van de verminderde toevoer van sediment. Hierdoor neemt de waarde als foerageergebied voor diverse steltlopersoorten sterk af.
Ondiepe brakke plassen groeien in de loop van de tijd dicht. Dit is een natuurlijk verloop van de successie, maar vormt wel een bedreiging voor het voortbestaan van kleine brakke plassen, omdat ze niet snel meer nieuw ontstaan, mede door de sterk afgenomen dynamiek.
De karakteristieke kustnatuur is op veel plekken versnipperd door stedelijke ontwikkeling en infrastructuur. Samen met het dichtgroeien van de duinen zorgt dit ervoor dat restpopulaties van planten en dieren steeds meer geïsoleerd raken. Deze interne versnippering is vooral in onze vastelandsduinen ver voortgeschreden. Veel populaties van karakteristieke fauna hebben inmiddels een kritisch minimum bereikt en er is dan nog heel weinig voor nodig om ze definitief te laten verdwijnen.
Het merendeel van de overstromingsvlakten en kwelders in de zeearmen van de rivieren is opgegaan in polders en ontgonnen. In de resterende, kleine natte landschappen werd de grens tussen zoet en zout veel scherper. De grote gebieden met zoet-zout-overgangen in de riviermondingen zijn met de aanleg van de Afsluitdijk en van de Deltawerken in Zeeland versnipperd geraakt. Vrijwel overal is in de loop van eeuwen de oppervlakte van de brakke standplaatsen geslonken tot vrijwel nul. Veel brakke wateren zijn verloren gegaan door dichtstorten, dempen en egaliseren bij bijvoorbeeld dijkverzwaringen.
De zeer hoge recreatiedruk in de kustgebieden heeft sterk bijgedragen aan de versnippering van plant- en dierpopulaties. Verstoring van fauna is een veel voorkomend verschijnsel. Door toegenomen recreatie worden kustbroedvogels tijdens het foerageren verstoord en nesten van grondbroeders worden verstoord door honden, fietsers, paarden en wandelaars.
Op diverse plekken leidt recreatie tot vermesting, bodemverdichting en aantasting van de aardkundige waarden. De aanplant van allerlei vruchtdragende struiken rond recreatievoorzieningen en in tuinen van aangrenzende dorpen en steden draagt bij aan de uitbreiding van struiken in het open duin. Vaak zitten hier ook nog eens invasieve exoten bij (zoals Rimpelroos), die zich vervolgens in het duingebied weten te vestigen, met grote gevolgen voor de inheemse flora en fauna. Paden worden voorzien van hooi of houtsnippers om de begaanbaarheid te vergroten. Dit heeft een vermestend effect en gaat verstuiving tegen.
Op de recreatiestranden wordt de vorming van embryonale duinen onmogelijk gemaakt en nergens is nog sprake van een natuurlijke strandfauna. Waar dit nog het geval zou kunnen zijn, als het hier niet was toegestaan is om met terreinwagens langs het strand te rijden.
Ook afgesloten zeearmen en grotere brakke plassen trekken recreatie aan. Pleziervaart zorgt al snel voor vertroebeling van het water en foeragerende en rustende vogels worden verstoord.
Tenslotte vindt er een groot ruimtebeslag op de duinen plaats door de aanleg van toeristische voorzieningen. Deze infrastructuur maakt het zoneren van recreatie in de doorgaans smalle duinterreinen moeizaam. Bovendien werkt de infrastructuur versnipperend.
Verdroging, verzuring en vermesting hebben ook in de duinen toegeslagen. Grondwaterafhankelijke vegetaties zijn achteruit gegaan door verdroging als gevolg van bosaanplant en waterwinning. Pionierplanten, soorten van voedselarme omstandigheden en basenminnende soorten handhaven zich met moeite en vaak lukt dat alleen dankzij beheersinspanningen. Momenteel worden lokaal gelukkig weer op vrij veel plaatsen vernattingsmaatregelen genomen. Stabilisatie van het duin en verzurende neerslag zorgen voor een versnelde verzuring van het duin. Stikstofaanvoer uit de lucht werkt vermestend en draagt bij aan het versneld dichtgroeien van de duinen. De laatste jaren neemt landelijk de hoeveelheid vermestende en verzurende depositie af. Waarschijnlijk neemt nu dus ook het gemiddelde tempo van verzuring en vermesting in de duinen af.
In afgesloten zeearmen wordt de waterkwaliteit bedreigd door de aanvoer van meststoffenrijk water en gebrek aan doorstroming en verversing van het water. Ook wordt de waterkwaliteit door allerlei chemische stoffen zoals PFAS en pesticiden negatief beïnvloed. Verder heeft de fauna hier te lijden van al dan niet opzettelijk geïntroduceerde exoten (Japanse oester) en door de bodemvisserij op kokkels en andere soorten. De soortensamenstelling verschuift hierdoor naar kleinere, sneller reproducerende soorten en de visserij gaat ten koste van de foerageermogelijkheden van bijvoorbeeld scholeksters. Ook in brakke plassen is eutrofiëring een belangrijk probleem, waarbij ook atmosferische stikstofdepositie een rol kan spelen. Algen of kroos gaan overheersen, waardoor ondergedoken waterplanten verdwijnen. De grootste bedreiging voor stilstaande voormalige zeearmen is echter verzoeting en het gebrek aan natuurlijke dynamiek. Deze is het gevolg van het afsluiten van de Zuiderzee, van de Deltawerken, van bedijking en van het omgekeerde peilbeheer dat in grote delen van Nederland gevoerd wordt.
De duinen, kwelders en zoute en brakke wateren worden door de mens intensief benut voor onder andere drinkwaterwinning, gaswinning, zoutwinning en verschillende vormen van visserij. Ook het Nederlandse kustbeheer heeft grote invloed. Deze gebruiksvormen zorgen voor verstoring, werken door in het voedselweb en beïnvloeden de landschapsvormende processen. Zo kan drinkwaterwinning voor extra verdroging zorgen of juist voor een onnatuurlijk stabiel waterpeil. Gas- en zoutwinning zorgt onder andere voor bodemdaling waardoor effecten van zeespiegelstijging nog eens versterkt worden. Visserij heeft onder andere grote invloed op het voedselweb en werkt zowel boven als onder water verstorend op flora en fauna. Het Nederlandse kustbeheer om onze basiskustlijn in stand te houden voor waterveiligheid heeft ook grote invloed, waaronder op allerlei landschapsvormende processen. Deze suppleties bieden echter ook kansen voor natuur (bv. Zandmotor, Hondsbossche Duinen, Prins Hendrikzanddijk).
Een serieuze, maar lastig in te schatten factor die het duin- en kustgebied bedreigt is de zeespiegelstijging. Zeespiegelstijging leidt waarschijnlijk tot een vermindering van kustaangroei, waardoor met name in het Waddengebied minder duinvorming zal plaatsvinden. De bodemdaling als gevolg van de gaswinning kan dit proces nog versterken.
In gebieden met kustafslag zijn de gevolgen van zeespiegelstijging nog complexer. Zeespiegelstijging kan leiden tot extra afslag en hiermee tot het op gang komen van de processen van klifvorming, vorming van paraboolduinen en verjonging van het duin. Een sterke afslag zal leiden tot een smallere duinenrij en tot daling van de grondwaterstand. Aan de andere kant zal de grondwaterstand meestijgen met de zeespiegel, waardoor droge duinvalleien vochtig kunnen worden en vochtige duinvalleien kunnen veranderen in duinmeren.
Kwelders zullen bij een geleidelijke zeespiegelstijging en normale sedimentatiesnelheden waarschijnlijk niet door verdrinking bedreigd worden, maar de toch al eroderende platen en slikken in de Oosterschelde lopen wel gevaar. Bij kwelders die aan de landzijde begrensd zijn door een dijk zal de zeespiegelstijging leiden tot een steilere gradiënt en een steeds smaller wordende kwelder. Dit kan een bedreiging zijn, maar anderzijds ook weer een proces van verjonging op gang brengen. Veel zal afhangen van het beleid van kustverdediging en begeleidend natuurbeheer.
De beste manier om behoud van de natuurwaarden van duin- en kustlandschappen te verzekeren is om de oorspronkelijke dynamiek te herstellen waar dat de veiligheid niet in gevaar brengt. Dat betekent dus het toelaten, bevorderen of weer in gang te zetten van de processen van verstuiving, herstellen van getijdendynamiek, van overstroming met zeewater, van het ontstaan van gaten in de zeereep, duin- en kweldervorming en dergelijke. Er wordt momenteel in duin- en kustlandschappen zowel geëxperimenteerd met maatregelen die gunstige uitgangssituaties voor deze processen scheppen als met maatregelen die de successie terugzetten.
Ook aan herstel van brakke milieus in de riviermondingen wordt gewerkt, zo worden bijvoorbeeld in 2018 de Haringvlietsluizen ‘op een kier’ gezet zodat er wat zeewater doorheen kan stromen. Het besef dat natuurlijke dynamiek nodig is voor het kustgebied, leeft gelukkig al langer. Met name op de Waddeneilanden wordt vanuit dat besef enerzijds kustaangroei verwelkomd, en anderzijds ook afslag toegelaten. Ook de aanleg van de ‘halfopen’ Oosterscheldedam getuigt van dit besef. Van groot belang zijn ook de afspraken die in Noord-Holland zijn gemaakt tussen de Natuurbeheerders en de verantwoordelijke instanties voor de kustveiligheid. Daar wordt waar mogelijk de dynamiek in de zeereep weer toegelaten: het zogenoemde Dynamisch Zeereepbeheer ingezet, zie onder andere het Deltares-rapport ‘Dynamisch kustbeheer en de ‘Beleidsevaluatie dynamisch handhaven’. Sinds deze afspraken gemaakt zijn in 1998 komt de vorming van paraboolduinen hier weer goed op gang.
Het is echter zo dat veel natuurgebieden van het kustlandschap het zonder of met heel weinig natuurlijke dynamiek moeten stellen en de dynamiek ook op termijn niet terug zullen krijgen. Dat heeft uiteenlopende oorzaken. De kustdynamiek is niet terug te krijgen in sterk versnipperde duingebieden en afgesneden zeearmen, bijvoorbeeld daar waar pal achter de zeereep drinkwater wordt geproduceerd, of waar een landelijk belangrijke gasleiding langs de buitenste duinenrij loopt. Ook aanlandingspunten voor kabels en leidingen vormen belangrijke belemmeringen. Toch is ook in deze situaties met een kleinschaliger en meer gecontroleerde dynamiek nog veel winst te behalen.
Als in de dynamiekarme natuurgebieden van het kustlandschap nu niets aan beheer wordt gedaan, zet de ontwikkeling in de richting van bossen en stabiele ecosystemen verder door. Op termijn zullen die gebieden meer en meer gaan lijken op binnenlandse ecosystemen. De beheerders staan hier dus voor de keuze om de natuur haar gang te laten gaan, deze ontwikkeling te bevorderen, of tegen te gaan door het terugzetten van de vegetatiesuccessie. Waar dat nog niet is gebeurd, is heroverweging en vastlegging van de doelen en beheersplannen nodig om behoud van de biodiversiteit te verzekeren. Bij zeer rigoureus ingrijpen gaan mogelijk waardevolle duinbossen verloren. Bij niets doen verliest het betreffende gebied mogelijk haar laatste restpopulaties van de karakteristieke flora en fauna van de jongere successiestadia van het duin- en kustlandschap, terwijl deze door een vorm van regulier- of herstelbeheer wel kunnen worden behouden. Maatregelen die mogelijk uitkomst kunnen bieden zijn naast het groot- en kleinschalig stimuleren van verstuiving in gang brengen of bevorderen : plaggen, chopperen, maaien, branden, verwijderen van opslag, kappen van naaldbossen en begrazen. Te intensief beheer heeft echter ook grote invloed op duinecosystemen, waaronder fauna. Met name door klimaatverandering (verlenging groeiseizoen), stikstofdepositie en exotenbeheer komen beheerders steeds vaker voor het dilemma te staan om te kiezen tussen te intensief beheer of de ongewenste ontwikkeling maar zijn gang laten gaan. Beide met negatieve gevolgen voor het duin- en kustecosysteem.
Zowel het blijvende gebrek aan dynamiek, alsook de zeespiegelstijging die naar verwachting in de toekomst gaat optreden, maakt een herbezinning over de inrichting van het kustgebied nodig. De zeespiegelstijging zal op termijn leiden tot verlies van natuurgebieden door ‘verdrinking’, door toenemende erosie en door intensievere kustverdediging. Aan de andere kant biedt de zeespiegelstijging ook mogelijkheden voor nieuwe natuurgebieden. De natuur van natte, zoute en brakke standplaatsen kan bijvoorbeeld nieuwe kansen krijgen door hier en daar in polders weer zeewater naar binnen te laten stromen of door terreinen grenzend aan de zee op te spuiten met zand. In de huidige situatie is de overgang van de duinen naar de cultuurgronden bijna overal opvallend abrupt. Het lijkt een goed idee om ook in de binnenduinrand mogelijkheden te scheppen voor nieuwe kustnatuur met geleidelijke overgangen.
Veel overleg tussen en samenwerking van de instanties die waken voor de kustveiligheid met duinbeheerders en in kustlandschappen gespecialiseerde ecologen en geomorfologen is hierbij essentieel. Of de herinrichting van het kustgebieden daadwerkelijk zal bijdragen aan het behoud van de natuurwaarden, zal in hoge mate afhangen van de uitkomst van dit proces.
In Deskundigenteam Duin- en kustlandschap werken bos- en natuurbeheerders, onderzoekers van universiteiten of adviesbureaus en beleidsmakers van rijk, provincies of waterschappen samen aan de benodigde kennis voor dit landschap.