Waarom met oogkleppen naar Zuid-Limburg kijken als over de grens vergelijkbare natuur is? Het deskundigenteam Heuvellandschap van OBN Natuurkennis ging met Duitse en Belgische collega’s op pad in de Eifel, een verrassende ervaring die om navolging vraagt.
Vergelijkbare natuurtypen
Wallis de Vries is lid van het deskundigenteam Heuvellandschap van OBN Natuurkennis en deelnemer aan de tweedaagse excursie in de Eifel. Ook Duitse collega’s van verschillende beheerorganisaties zijn mee, evenals twee Vlamingen. De gedachte is dat er veel te leren is van de situatie over de grens. Het heuvellandschap van Zuid-Limburg heeft immers gelijkenissen met die in de Eifel (en de Ardennen) en kent daarmee ook vergelijkbare natuurtypen. Die zijn vaak wel in betere staat, merken de deelnemers. Ook zijn ze onder de indruk van de schaal van het heischraal grasland waar we deze ochtend rondlopen.
Bebossing en ontbossing
Maar wie denkt dat graslanden eeuwen behouden zijn gebleven, heeft het mis. De Duitse gids Michael Schulze van Biologisch Station Euskirchen vertelt hoe vijftien jaar geleden grote delen van de huidige Sistig-Krekeler Heide bestond uit sparrenbos. De decennia daarvoor kenden een ontwikkeling van grootschalige bebossing. Toen in 1984 een van de laatste stukken waardevol schraalland vol met orchideeën ook bebost dreigde te worden, grepen natuurliefhebbers in en begonnen ze land op te kopen om het weer als schraalgrasland en heide in te richten en te beheren. Ook het stuk waar we nu lopen is met dat doel opgekocht. Bomen zijn gekapt, het land is gefreesd en hooi uit andere graslanden is als zadenbron over het land verspreid. Blauwe knoop, blauwe zegge, klokjesgentiaan en diverse orchideeën zijn teruggekeerd, al is daar in dit seizoen niet veel van te zien: vrijwel alles is gemaaid.
De graslanden worden gemaaid (en deels begraasd met schapen en koeien) door boeren in de omgeving, die zelf verantwoordelijk zijn voor het beheer waarvoor ze van de overheid subsidie krijgen. De uitleg roept bij de Nederlandse deelnemers soms wat verwarring op. Eigendom, strategie en dagelijks beheer blijken enorm versnipperd. Er is niet één beheerder van het natuurterrein, zoals in Nederland. Onder andere de Nordrhein-Westfalen-Stiftung en het biologisch station hebben hier een rol, evenals diverse boeren. Ook het subsidiesysteem blijkt anders. Voor de subsidieverstrekker gaat het niet zo zeer om het resultaat, maar om het strikt uitvoeren van het afgesproken beheer. En dat leidt tot dilemma’s. Want dat ene laatste stukje gras met de rupsen van de moerasparelmoervlinder moet volgens de regels eigenlijk ook gewoon afgemaaid worden, anders krijgt de beheerder geen geld van de Landwirtschaftskammer.
Kalkmoeras tussen de weilanden
Naast verwondering over het systeem in Duitsland, is er vooral bewondering voor de resultaten die er in enkele jaren zijn behaald. Waar het schraalgrasland vooral vanwege de grootte indruk maakt, maakt even later – na een kleine autorit – een klein stuk kalkmoeras indruk met zijn bijzondere soorten. Onder andere karwijselie, moesdistel, grote muggenorchis, moeraswespenorchis en schubzegge worden gespot. Het is een relatief klein stukje dat tussen landbouwgronden ingeklemd lijkt. Maar, zo vertellen de gidsen, ook de omliggende percelen zijn aangewezen als Naturschutzgebiet. Het laat zien wat al eerder uit de verhalen naar boven komt: de scheidslijn tussen landbouw en natuur is hier niet zo duidelijk als in Nederland. Bij het beheer van natuurterreinen zijn vaak boeren betrokken en op het oog zijn de verschillen tussen de percelen soms niet eens zo groot. “Sowieso is de landbouw hier veel minder intensief en draagt zelf ook bij aan natuurwaarden”, merkt deelnemer Guido Verschoor van Staatsbosbeheer op. “Als je hier door het landschap rijdt zie je ook overal bloemen staan op grasland van boeren. Dat zou voor Nederland ook een enorme verbetering zijn, als er rond natuurgebieden een schil zou zijn van minder intensieve landbouw.” Voor bosbouw is dat juist anders. Waar in Nederland bosbouw en natuurbeheer tegenwoordig nauw verstrengeld zijn, staan die in Duitsland juist vaak tegenover elkaar.
“Bij ons leeft de discussie over nachtweides en winterstalling sterk, dus het is leerrijk om te zien hoe ze het hier organiseren.”
Schapen tussen jeneverbes
Gabriël Erens, een van de Vlaamse deelnemers, is geïnspireerd. “Bij ons leeft de discussie over nachtweides en winterstalling sterk, dus het is leerrijk om te zien hoe ze het hier organiseren. Erens is hij niet zomaar een buitenstaander, hij is zelf ook lid van het Nederlandse deskundigenteam Heuvellandschap. Een goede zaak, vindt hij zelf. “In Limburg zijn er gebieden die heel klein zijn of in afgezwakte vorm voorkomen, terwijl zij veel vergelijkbare gebieden hebben die groter zijn en als referentie kunnen dienen. Het kan dus waardevol zijn om kennis uit te wisselen en ook onderzoek over de grens te doen.”
Goede referentiegebieden
De waarde van bezoeken van vergelijkbare gebieden over de grens blijkt ook in het laatste gebied dat het team bezoekt. Stefan Meisberger van het biologische station leidt de groep rond in Wasserdell, een overgangsveen nabij Dahlem. Daar in de beek laat Hans de Mars, ecohydroloog bij Royal Haskoning, zijn meetapparatuur in het beekwater zakken, zoals hij deze dagen al op veel plekken heeft gedaan. “Ik doe altijd overal metingen, dat doe ik al 30 jaar”, zegt hij. “Ik vind het interessant om ook hier te kijken wat de waterkwaliteit is, dat zet alles voor mij in perspectief. Hier in de beek meet ik gewoon mineraalwater, dat zul je in Limburg niet tegenkomen. De schaal is ook heel anders dan bij ons, net als de druk van buiten de natuurgebieden. Het is bewonderenswaardig hoe men hier in korte tijd resultaat haalt. In Nederland zou het niet een kwestie zijn van ‘je haalt een bos weg en je hebt een borstelgrasland’, wij hebben dan nog te maken met zaken als stikstofdepositie.” Het onderzoeken van gebieden in de Eifel als referentiegebied zou volgens hem het natuurbeheer in Nederland kunnen helpen. “Dit is een gebied dat goed wil begrijpen, om te zien hoe de omstandigheden zouden moeten zijn om in Nederland een overgangsveen of kalkmoeras te kunnen ontwikkelen.”
“Wij zijn ook met beekherstelprojecten bezig waarin beken worden verhoogd. Hier gebruiken ze weer net andere methoden, dus dat is interessant om over te horen.”
Natuurmonumenten-beheerder Marina Fijten vindt veel herkenning in het verhaal dat ze vanmiddag hoort. “Wij zijn ook met beekherstelprojecten bezig waarin beken worden verhoogd. Hier gebruiken ze weer net andere methoden, dus dat is interessant om over te horen. En de bever bleek ook iets waar we allebei mee te maken hebben. De gids gaf aan dat, zolang de waterkwaliteit goed is, de aanwezigheid van de bever geen probleem is voor optrekkende vissen. Die gaan over een dam van twee meter zeventig heen, goed om te weten.”
Van elkaar leren
Een van de Duitse deelnemers, Axel Förster, vrijwilliger bij het Biologische Station, ziet veel kansen voor verdere kennisuitwisseling. “Juist de verschillen tussen de landen maken het interessant. De Eifel is altijd een afgelegen gebied geweest, waar de landbouw minder ontwikkeld is. Daardoor wordt door Nederlanders die hier komen vaak gezegd: hier is de natuur nog in orde. In Nederland is de landbouw veel intensiever en is er veel verloren gegaan, daar proberen natuurbeheerders die natuur weer terug te krijgen. Hier in de Eifel proberen we momenteel de ontwikkelingen die in Nederland te ver zijn gegaan, af te remmen. Zo ontstaan uit beide probleemvelden vragen en ideeën, waarbij we veel van elkaar kunnen leren.”
Hij denkt dat het goed is om ook organisatorisch van elkaar te leren. “Ik krijg deze dagen veel vragen over hoe het hier is geregeld, wat een Biologisch Station of een hogere of lagere natuurbeschermingsautoriteit doet. Wij willen ook beter begrijpen hoe het in Nederland zit en wat daar goed werkt en wat niet.”
Monitoring bij ons beter
De excursie eindigt op een stuk heide, waar onder andere stikstofproblematiek aan de orde komt. De struikhei is op sommige plekken aangetast, maar dat heeft wellicht ook een andere oorzaak: honderden heidehaantjes, een kever die een verslechterd heideterrein een flinke klap kan geven, doen zich tegoed aan de plant. Nadat Meisberger zijn rondleiding heeft afgesloten, gaan de deelnemers met veel nieuwe kennis, ideeën en contacten terug naar huis. De broek wordt nog even goed uitgeschud en de schoenen worden schoon gestampt. De heidehaantjes hoeven immers niet mee naar de Limburgse natuur.