OBN-278-O
Dit rapport presenteert een evaluatie van de basen- en voedingstoestand na tien jaar herstelmaatregelen in natte schraallanden, uitgevoerd in de periode 1990-1992. Het onderzoek richt zich op de vraag of vernatting en plaggen als herstelmethoden daadwerkelijk leiden tot duurzame verbetering van de abiotische voorwaarden voor deze kwetsbare natuurgebieden.
Botanische evaluaties hadden eerder aangetoond dat herstelmaatregelen alleen succesvol blijken bij kwelsituaties waar historisch geen bemesting of drainage heeft plaatsgevonden. Langdurige bemesting of drainage lijken tot irreversibele veranderingen in de bodem te leiden. Dit rapport probeert deze bevindingen te verklaren vanuit abiotische processen, met name de basentoestand en fosfaatmobilisatie.
Met behulp van het bodemchemische model Ecosat zijn verschillende referentiegebieden geanalyseerd, waaronder Ilperveld, Taarlo, Veenkampen, Lage Maden en Wobberibben. Twee hypothesen werden getoetst: of uitblijvend herstel op verzuurde standplaatsen komt door onvoldoende redoxcapaciteit, en of op voedselrijke plekken ongewenste fosfaatmobilisatie optreedt bij vernatting. De resultaten laten zien dat de werkelijke processen complexer zijn dan verwacht. In sommige gevallen blijft basenverzadiging laag ondanks voldoende redoxcapaciteit, terwijl fosfaatmobilisatie soms aanzienlijk is zelfs op voedselarme locaties.
De conclusie is dat vuistregels voor kansrijke situaties voor botanisch herstel voorlopig niet te formuleren zijn. Gebieden met landbouwkundig verleden vertonen andere dynamieken dan strikte natuurgebieden. In enkele Twentse terreinen is duurzaam herstel twijfelachtig door risico’s op fluctuaties in basenverzadiging en fosfaatmobilisatie.
Dit rapport is relevant voor ecologen, terreinbeheerders en beleidsmakers die zich bezighouden met herstel van natte schraalgraslanden in Nederland.