OBN-2021-127-NZ
Zure vennen zijn karakteristieke en soortenrijke elementen van het Nederlandse heidelandschap. Ze herbergen een bijzondere fauna, waaronder kenmerkende libellensoorten. Sinds circa 2010 is echter een sterke achteruitgang zichtbaar bij soorten als maanwaterjuffer, gewone pantserjuffer, noordse witsnuitlibel en zwarte heidelibel. Dit OBN-onderzoek heeft als doel de oorzaken van deze achteruitgang te achterhalen en aanknopingspunten voor beheer te formuleren.
Centraal in het onderzoek staat de hypothese dat zuurstoftekort in vennen een sleutelrol speelt. Sinds het einde van de vorige eeuw zijn zure vennen minder zuur geworden en is de watertemperatuur gemiddeld met ongeveer 2 °C gestegen. Laboratoriumexperimenten laten zien dat deze combinatie leidt tot een hogere biologische activiteit in organische venbodems en daarmee tot een verhoogd zuurstofverbruik. Tegelijkertijd lost in warmer water minder zuurstof op. Hierdoor komen aquatische ongewervelden, waaronder libellenlarven, sneller in de knel.
Experimenteel onderzoek met libellenlarven toont aan dat met name de maanwaterjuffer gevoelig is voor afnemende zuurstofbeschikbaarheid. Veldonderzoek laat daarnaast zien dat populaties van noordse witsnuitlibel en zwarte heidelibel vooral verdwenen zijn uit vennen met aanwijzingen voor verhoogde biologische afbraak, zoals hogere fosfor- en ammoniumconcentraties. Voor de maanwaterjuffer speelt bovendien gevoeligheid voor droogval een belangrijke rol, wat wijst op effecten van recente droge zomers.
Libellenlarven blijken zich vooral te handhaven op plekken waar zij zuurstofarme omstandigheden kunnen vermijden: hoog in de waterlaag, in oevervegetatie, bij steile oevers, op plekken met een dunne sliblaag of met invloed van wind en grondwater.
Het onderzoek onderstreept de urgentie om de zuurstofhuishouding in zure vennen te verbeteren. Kansrijke maatregelen zijn: gericht verwijderen van slib (met behoud van vegetatie), vergroten van windwerking (bijvoorbeeld door bos op zuidoevers te verwijderen), verbeteren van de hydrologie en een bewuste afweging in het omgaan met droogval. Vanwege de snelle achteruitgang van kenmerkende soorten is het belangrijk om snel te starten in gebieden waar deze soorten nog voorkomen, met goede monitoring vóór en na maatregelen.