OBN 2014-190-DK
Het rapport “Begrazingsbeheer in relatie tot herstel van faunagemeenschappen in droge duingraslanden” onderzoekt de effecten van begrazing op fauna en habitatkwaliteit in Nederlandse kustduinen. Door verruiging zijn prioritaire habitattypen zoals H2130 (Grijze duinen)**, H2140 (duinheiden met kraaiheide) en H2150 (duinheiden met struikheide)* sterk achteruitgegaan. Op 113 locaties in 24 duingebieden zijn begraasde en onbegraasde situaties vergeleken.
Begrazing vermindert verruiging en strooisel en draagt bij aan behoud van open duinhabitats. Effecten verschillen echter tussen het kalkarme Waddendistrict en het kalkrijkere Renodunale district. In het Waddendistrict (N-gelimiteerd) verlaagt begrazing de stikstofbeschikbaarheid en productiviteit; dit is noodzakelijk om verruiging tegen te gaan, maar leidt bij hoge graasdruk tot lage kruidbedekking en weinig bloemen. In het Renodunale district (P-gelimiteerd) beïnvloedt begrazing vooral vegetatiestructuur en bloemaanbod, zonder effect op stikstofbeschikbaarheid.
Voor fauna zijn de effecten wisselend. Karakteristieke dagvlinders van open duinen, zoals de Duinparelmoervlinder en Kleine Vuurvlinder, profiteren bij matige begrazing, maar nemen af bij hoge graasdruk. Bodemfauna, vooral soorten met meerjarige larvale ontwikkeling, neemt doorgaans af. Het Konijn reageert positief op opener vegetatie, terwijl geen significant effect is gevonden op de Zandhagedis. Voor broedvogels van open duin, zoals de Tapuit, is een hogere graasdruk met gemengde kuddes gunstig; lage graasdruk met runderen werkt vaak negatief. De Blauwe Kiekendief mijdt begraasde duinen.
De studie benadrukt dat variatie in graasdruk in ruimte en tijd essentieel is. Extensieve begrazing volstaat vaak in het Renodunale district, terwijl in het Waddendistrict hogere druk nodig blijft tegen verruiging. Aanvullend is herstel van verstuiving cruciaal, omdat dynamiek en bodemprocessen minstens zo bepalend zijn voor herstel van biodiversiteit als begrazing zelf.