UPN-2022-009-DK
Duingraslanden behoren tot het Natura 2000-habitattype Grijze duinen (H2130) en zijn een belangrijk refugium voor zeldzame planten, korstmossen en paddenstoelen. Grijze duinen zijn uniek door natuurlijke processen zoals verstuiving, successie en grondwaterinvloed. In het verleden lag het accent in het beheer op herstel van dynamiek, waardoor vooral jonge stadia aandacht kregen. Oude(re) successiestadia, die vaak een hoge soortenrijkdom herbergen, bleven tot nu toe onderbelicht.
Dit rapport onderzoekt waarom sommige oude duingraslanden soortenrijk blijven en andere verarmen, welke rol stikstofdepositie speelt, en hoe beheer kan bijdragen aan behoud en herstel.
In dit rapport worden de volgende vragen beantwoord:
• Hoe hangt biodiversiteit samen met de ouderdom van duingraslanden?
• Welke factoren bepalen een hoge soortenrijkdom?
• Hoe beïnvloedt stikstofdepositie biodiversiteit en struweelvorming?
• Welke beheermaatregelen zijn effectief voor behoud en herstel?
Om deze vragen te beantwoorden is een brede aanpak gekozen: analyse van vegetatie en bodemchemie in tijdreeksen van PQ’s met duingrasland en in chronosequenties met een serie van duingraslanden van verschillende ouderdom, onderzoek naar paddenstoelen en bodemleven, experimenten met verwijdering van struweel, interviews met beheerders en een synthese van literatuur en praktijkervaring.
Het blijkt dat buffering, vochtvoorziening en begrazing cruciaal zijn. Begrazing is de belangrijkste maatregel tegen vergrassing, verruiging en opslag van struweel, maar het effect hangt af van de timing, de intensiteit van de begrazing, het type grazer en karakteristieken van het gebied zoals reliëf of productiviteit. Voor herstel van oude successiestadia dient plaggen alleen kleinschalig en ondiep toegepast te worden. Struweelverwijdering lijkt voor kalkrijke duinen te werken, mits gecombineerd met begrazing of regelmatig maaien. Brand wordt niet regulier toegepast, maar kan wel een waardevolle en effectieve toevoeging zijn, bijvoorbeeld bij het omzetten van duindoornstruweel naar duingrasland. Verstuiving kan verzuring tegengaan en de standplaatsvariatie vergroten, maar heeft een negatieve invloed op de mycoflora van oud duingrasland. Herintroductie van konijnen kan bijdragen aan herstel van open duingrasland.