OBN-2008-090
Dit rapport onderzoekt de invloed van beheer op de overlevingskansen van weidevogelkuikens in Nederlandse graslanden. De aanleiding is de vaststelling dat het grootste knelpunt in de jaarcyclus van de grutto niet de nestfase is, maar de overleving van kuikens. Het intensieve graslandgebruik in de moderne landbouw biedt onvoldoende ruimte voor ongestoord opgroeien tot de kuikens vliegvlug zijn. Bescherming mag daarom niet beperkt blijven tot de nestfase, maar moet zich uitstrekken tot de kuikenfase. Dit vermoeden geldt ook voor andere weidevogelsoorten, waaronder kievit, scholekster, tureluur, watersnip, kemphaan, slobeend, zomertaling, kuifeend, gele kwikstaart, graspieper en veldleeuwerik.
Het rapport brengt de beschikbare kennis samen over de effecten van beheersmaatregelen op jongenoverleving. Een belangrijke bevinding is dat de predatie van gruttokuikens op percelen met kort gras twee keer groter is dan op ongemaaid gras, vooral door vliegende predatoren. Het vroege en grootschalige maaien aan het begin van de kuikenperiode is het grootste knelpunt. Ongemaaid, kruidenrijk en ijl grasland is veruit het belangrijkste kuikenland. Beweiding kan functioneel zijn voor kievit en tureluur, maar heeft voor gruttokuikens nauwelijks meerwaarde.
Op basis van habitatvoorkeuren zijn vier soortengroepen onderscheiden: de water-groep, de kort gras-groep, de lang gras-groep en de mozaïek-groep. Deze groepering betekent dat soorten binnen een groep ongeveer vergelijkbaar reageren op beheermaatregelen. De auteurs benadrukken dat het optimum voor alle soorten lang niet samenvalt, wat vraagt om maatwerk per gebied en soortengroep.
Een belangrijk kennishiaat is dat predatiebeheer buiten beschouwing is gelaten, omdat daarvoor in de Nederlandse situatie weinig bekend is. Dit rapport is vooral relevant voor weidevogelbeheerders, agrariërs betrokken bij beheerovereenkomsten en beleidsmakers die werken aan effectieve beschermingsstrategieën voor weidevogels.