2003-173-O
Dit rapport onderzoekt de effecten van vernatting in bossen en levert conclusies en aanbevelingen voor praktijk en beleid. Vernatting kan worden ingezet voor uiteenlopende doelen, zoals waterberging, natuurherstel of bevordering van bosgroei, en de keuze voor een specifiek doel heeft grote invloed op hoe de vernatting wordt uitgevoerd. Een cruciale boodschap is dat goede afstemming tussen beleid en uitvoering essentieel is; veel tegenvallende resultaten in het verleden zijn terug te voeren op onduidelijke doelstellingen.
Een belangrijke waarschuwing is dat vernatting risico’s met zich meebrengt voor bomen, vooral als de bodem vergraven is. Diepe beworteling als gevolg van eerdere verdroging of bodemvergraving maakt bomen extra kwetsbaar, omdat diepe wortels afsterven wanneer het grondwater stijgt. Boomsoorten verschillen sterk in tolerantie: wilg, populier en els zijn het meest tolerant, terwijl beuk en eik de minste tolerantie hebben. Voor bomen ouder dan vijftig jaar zijn de risico’s het grootst, terwijl juist deze bomen landschappelijk en financieel het meest waardevol zijn.
Het rapport adviseert om in kleine stappen te vernatten, met liefst tien jaar tussen elke stap, en om de vitaliteit van de bomen jaarlijks te monitoren aan de hand van het percentage dode twijgen in de bovenkant van de kroon. Flexibiliteit is belangrijk: het moet mogelijk zijn om water af te tappen bij extreem natte periodes, bijvoorbeeld met ondiepe greppels of verstelbare knieverbindingen bij duikers. Volledig herstel van de oorspronkelijke situatie is overigens niet altijd mogelijk, omdat bodems irreversibel kunnen zijn veranderd door oxidatie, verzuring of vergraving.
Het rapport benoemt ook demonstratielocaties in Roden, Gees en Leende, waar bosbeheerders het effect van vernatting in de praktijk kunnen aanschouwen. Dit rapport is relevant voor bosbeheerders, waterschappen, beleidsmakers en ecologen die betrokken zijn bij vernattingsprojecten in bossen.