OBN 2014-183-BE
In dit rapport staat het habitattype H7140 Overgang- en trilvenen centraal. In diverse beekdalen in Nederland worden deze veenvormende moerasvegetaties hersteld door vernatting. Als beheermaatregel worden deze vegetaties daarna vaak gemaaid. De centrale vraag in dit rapport is of dat nodig is. Na verbetering van de hydrologische omstandigheden zouden de vegetaties zichzelf moeten kunnen handhaven. Daarnaast is het de vraag in hoeverre maaibeheer nadelig doorwerkt op het ontstaan van microtypografie (kleinschalig reliëf).
Uit het onderzoek blijkt dat in ongestoorde beekdalvenen maaibeheer niet nodig is en zelfs schadelijk voor de microtopografie en soortdiversiteit. In vernatte, zwak gedegradeerde venen is het stoppen van maaibeheer een perspectiefvolle maatregel die leidt tot herstel van mosrijke vegetatie en na enkele decennia ook tot herstel van microtopografie.
Het stoppen van maaibeheer heeft hier de voorkeur boven doorgaan met maaien. De herstelpotentie van sterk gedegradeerde venen is geringer dan die van zwak gedegradeerde systemen waarin veelal ook nog relictpopulaties van karakteristieke soorten aanwezig zijn. In dit soort gebieden, waar dan vernattingseffecten geleidelijk optreden, kan maaibeheer voorkomen dat onder invloed van de wisselnatte situatie verruiging optreedt. Nadat de vernatting sterk heeft doorgezet en kale bodem is bedekt met vegetatie, kan het maaibeheer worden gestopt.