OBN-2011-152-DZ
Dit onderzoeksrapport evalueert effectgerichte herstelmaatregelen voor de fauna van Nederlandse heideterreinen en analyseert waarom herstel van karakteristieke heidefauna vaak uitblijft. Twee hoofdvormen van aantasting worden onderscheiden. Ten eerste is sprake van historische, selectieve habitatvernietiging: de rijkere delen van het oorspronkelijke heidelandschap zijn grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor huidige heidegebieden vooral bestaan uit zeer arme restanten. Veel karakteristieke en tegenwoordig zeldzame soorten waren juist gebonden aan deze rijkere heide-elementen en zijn daardoor al vroeg achteruitgegaan. Ten tweede spelen verzuring en vermesting (VER-factoren) een belangrijke rol, met grote gevolgen voor voedselkwaliteit en voedselwebben.
De effecten van VER-factoren op fauna verlopen vooral via veranderingen in voedselkwaliteit, niet via microklimaat. Verzuring en vermesting leiden tot verlies en homogenisatie van plantensoorten en daarmee tot afname van faunadiversiteit. Heideplanten zijn stikstofverzadigd; een groot deel van de stikstof wordt vastgelegd als slecht verteerbaar non-protein nitrogen (NPN), wat de voedselkwaliteit voor herbivoren vermindert. Daarnaast is in heidevegetaties sprake van sterke fosforlimitatie door hoge stikstofdepositie en verzuring, wat resulteert in zeer hoge N:P-verhoudingen. Deze nutriëntenonbalans blijkt een cruciale beperkende factor voor groei, overleving en voortplanting van insecten en andere faunagroepen, met doorwerking naar hogere trofische niveaus.
Gangbare beheermaatregelen zoals plaggen, al dan niet gecombineerd met begrazing, blijken onvoldoende effectief en kunnen vooral in droge heide zelfs leiden tot verdere biodiversiteitsafname. Plaggen verwijdert niet alleen stikstof, maar ook organische stof die essentieel is voor buffering, nutriëntenbinding en het vastleggen van toxische metalen zoals aluminium. Hierdoor worden P-limitatie en toxiciteit versterkt.
Het rapport pleit voor herstel van het heidelandschap als geheel, inclusief rijkere overgangen en heischrale graslanden, terughoudend gebruik van plaggen, behoud van organische stof en waar nodig lichte bekalking. Cruciaal is echter een brongerichte aanpak: zonder een substantiële reductie van stikstof- en verzurende depositie blijven effectgerichte maatregelen ontoereikend voor duurzaam herstel van heidefauna.