OBN-2015-202-RI
In steeds meer uiterwaarden is het beheer is overgegaan van landbouw naar natuur. Daarmee verandert ook de vegetatie van glad Engels raaigras naar een veel gevarieerdere begroeiing met bloemrijk grasland, ruigte, struweel en lokaal zelfs bosontwikkeling. Deze natuurlijke vegetatietypen hebben een hogere ‘ruwheid’ en laten daardoor minder water doorstromen bij hoog water. Daarom wil Rijkswaterstaat dat in de stroombanen van de rivier de vegetatie weer teruggezet wordt tot een ruwheid die overeenkomt met die van productiegrasland. Met terreinbeheerders worden gedetailleerde afspraken gemaakt om deze vegetatie vervolgens ook kort te houden. De vraag is wat de beste manier is die recht doet aan waterveiligheid en aan de biodiversiteit. In dit onderzoek is bestaande kennis verzameld en geanalyseerd.
De vergelijking van de resultaten van maaibeheer versus begrazingsbeheer laat zien dat het beheer van invloed is op de samenstelling van de aanwezige karakteristieke rivierplantensoorten.
Begrazingsbeheer lijkt hierbij meer soorten op te leveren dan maaibeheer. Om sturing te hebben op het ruimtegebruik door grote grazers binnen een uiterwaard zijn gerichte maatregelen nodig in de vorm van aanvullend maaien, graven of het uitrasteren van terreindelen. De lijst met karakteristieke rivierplantensoorten helpt beheerders, zo blijkt uit dit onderzoek, om de kwaliteitsontwikkeling van het gebied in te schatten.