OBN 2017-213-HE
Het rapport “Herstel van Zuid-Limburgse hellingmoerassen, het kalkmoeras in het bijzonder” onderzoekt de ecohydrologische sleutelfactoren van hellingmoerassen in Zuid-Limburg, met speciale aandacht voor habitattype H7230 (Kalkmoeras). Deze beekdalen zijn binnen Nederland uniek vanwege hun grote rijkdom aan planten, dieren en levensgemeenschappen. Tegelijkertijd staat het voortbestaan onder druk door grondwatervervuiling en landschappelijke versnippering.
Het onderzoek combineert historisch-ecologische analyse met veldonderzoek (vegetatie, bodemchemie, bodembiologie en hydrologie) op acht locaties. Hellingmoerassen blijken zeer basen- tot kalkrijk en omvatten onder meer vegetaties van het Campylio-Caricetum dioicae en het Carici flavae-Cratoneuretum filicini. Historisch hadden kalkmoerassen vóór 1950 een veel grotere verspreiding, vooral in de noordelijke lössregio. Sinds de jaren zestig zijn veel locaties verbost, wat samen met intensiever landgebruik heeft geleid tot versnippering en verlies aan habitatkwaliteit.
Hydrologisch functioneren hellingmoerassen dankzij het constant en diffuus uittreden van mineraalrijk, neutraal tot licht basisch grondwater. De waterstanden zakken zelden dieper dan de kritische grens (20–25 cm onder maaiveld), waardoor grondwaterstand meestal geen beperkende factor is. Wel bevat het grondwater verhoogde gehalten aan sulfaat, chloride en nitraat door antropogene beïnvloeding. Dit stimuleert pyrietvorming in de bodem en kalktufvorming aan het maaiveld.
De bodems zijn doorgaans kalkrijk en bevatten vaak grote pyrietvoorraden. De microbiële biomassa speelt een sleutelrol in nutriëntenkringloop en fosfaatbinding; de vegetatie blijkt meestal stikstof-gelimiteerd. De fosforhuishouding is complex en afhankelijk van kalk, ijzer, pyrietvorming, microbiële activiteit en voormalig agrarisch gebruik.
Kansrijke herstel- en uitbreidingslocaties liggen deels binnen Natura 2000-gebieden (vaak nu aangeduid als alluviaal bos) en deels daarbuiten. Essentieel voor herstel is behoud of herstel van het infiltratiegebied, het voorkomen van bebossing in het intrekgebied en het waarborgen van een constante aanvoer van kalkrijk grondwater.