OBN 2013-179-DZ
Heidegebieden vormen een belangrijk onderdeel van de Nederlandse Natura 2000-gebieden en herbergen diverse beschermde habitattypen (o.a. H2310, H4010 en H4030). Ondanks bescherming gaan veel karakteristieke faunasoorten nog steeds achteruit. Een relatief onderbelichte oorzaak is het verdwijnen van historische gebruiksgradiënten in het heidelandschap. Vroeger lagen op de overgang van heide naar landbouw tijdelijke akkers en schraalgraslanden, die zorgden voor voedselrijkere, dynamische milieus. Deze zijn tegenwoordig grotendeels verdwenen of slecht beheerd.
Onderzoek toont aan dat extensief beheerde heideakkers, evenals braakliggende en langdurig braakliggende akkers, een hoge faunadiversiteit herbergen. Loopkevers koloniseren nieuw ingerichte extensieve akkers snel, waarbij zowel typische akkersoorten als heidekarakteristieke soorten toenemen. Ook uit voormalige heideakkers ontwikkelde schraalgraslanden bevatten relatief veel heidesoorten. Sprinkhanen profiteren vooral van akkers in langdurig verschralingsbeheer en verkiezen deze boven droge heide.
Extensieve heideakkers vervullen bovendien een belangrijke functie voor broedvogels zoals de Veldleeuwerik, Kneu en Geelgors. Met name het broedsucces van de Veldleeuwerik ligt in heidegebieden aanzienlijk hoger dan in intensief agrarisch gebied. Voor het behoud van deze soorten is inrichting en beheer van extensief bouwland, braakakkers en schraalgraslanden binnen heidegebieden essentieel.
Experimenten tonen aan dat herstel van extensieve akkers relatief eenvoudig is, vooral op locaties met een historische akkerfunctie. Belangrijke randvoorwaarden zijn geschikte bodemchemische eigenschappen, zoals matige fosfaatbeschikbaarheid, voldoende buffercapaciteit en organische stof. Een beperkte mestgift (10–20 ton vaste stalmest per hectare) volstaat om tijdelijk gewasproductie mogelijk te maken. Voor duurzame ontwikkeling naar heischraal grasland moet de fosfaatbeschikbaarheid laag blijven en de basenverzadiging voldoende hoog zijn. Roulatiebeheer tussen akker- en graslandfasen, met weinig eisende gewassen zoals rogge of boekweit en lage bemesting, houdt de voedselrijkdom beperkt en ondersteunt biodiversiteit.