OBN-2022-136-EA – 2025
Grondwaterafhankelijke Nederlandse natte natuurgebieden kampen al decennialang met verdroging. De oorzaken liggen grotendeels buiten de natuurgebieden zelf: intensieve ontwatering voor land- en tuinbouw, grondwateronttrekkingen voor drinkwater, industrie en beregening in de land- en tuinbouw, en veranderingen naar meer intensief landgebruik. Deze problematiek wordt nog urgenter door klimaatverandering, waar een toename van extreme droogte verwacht wordt. Deze studie richt zich op de kwantitatieve aspecten van hydrologisch herstel. Hydrologisch herstel van verdoogde natuur vereist een systeembenadering: niet alleen lokaal ingrijpen, maar het hele regionale watersysteem rondom de gebieden herinrichten en anders beheren, gericht op regionaal gezien hogere grondwaterstanden, met name in voorjaar en zomer.
In dit rapport wordt een methodiek beschreven (voortbordurend op bestaande tools en kennis) om op een systematische wijze te bepalen welk type hydrologische maatregelen waar en in welke mate nodig zijn om een verdroogd natuurgebied hydrologisch te herstellen. Daarbij maken de opstellers gebruik van simulaties met grondwatermodellen en vegetatie-indicaties. De methodiek bestaat uit twee onderdelen: (1) het in kaart brengen van het “doelgat natuur” – het verschil tussen de actuele en gewenste hydrologische grondwatersituatie voor grondwaterafhankelijke natuurgebieden en (2) het systematisch aftasten welke hydrologische maatregelen nodig zijn om het doelgat te dichten.
De methodiek is toegepast op drie verschillende typen gebieden: de Dommelbeemden (beekdal), het Buurserzand (nat zandlandschap) en de Mieden (laagveenmoeras). De studie laat zien dat het doelgat per gebied sterk verschilt, evenals de effectiviteit van maatregelen. Voor het Buurserzand, een gebied met een dun watervoerend pakket, zijn maatregelen in een smalle bufferzone al effectief. In de Dommelbeemden, een beekdal, zijn juist ingrepen op een grote regionale schaal nodig voor de verkleining van het doelgat. In de Mieden, dat bestaat uit sterk peilgestuurde gebieden, is het effect van externe maatregelen beperkt, tenzij ook het interne peilbeheer binnen het natuurgebied wordt aangepast.