OBN-2006-DK135-O
Dit eindrapport beschrijft de resultaten van de tweede onderzoeksfase naar de invloed van aantasting en herstelmaatregelen op de faunadiversiteit in het Korenburgerveen, met een focus op watermacrofauna. Centraal staan het gebruik van de omgeving door soorten op verschillende schaalniveaus en de eerste effecten van herstelmaatregelen. Op basis van schaalgebruik zijn soorten ingedeeld in levensstrategieën en zijn, in combinatie met veranderde omgevingscondities, hypothesen opgesteld over korte- en langetermijneffecten.
Op korte termijn domineren verstoringseffecten. Herstelmaatregelen leiden tot een nivellering van omgevingscondities, waardoor een beperkt aantal soorten toeneemt ten koste van andere. In afzonderlijke wateren neemt het aantal soorten toe, maar op grotere schaal blijken dit steeds dezelfde, vaak al algemene soorten te zijn. Hierdoor neemt de totale soortenrijkdom per deelgebied af, met de sterkste achteruitgang in vernatte hoogveencompartimenten en broekbossen. Voor het gehele gebied is sprake van een lichte afname van het totaal aantal soorten, met grote dynamiek: veel soorten verdwijnen, terwijl andere nieuw verschijnen. De hoge terreinheterogeniteit zorgt er wel voor dat veel soorten ergens in het gebied behouden blijven. Wateren met een toegenomen grondwaterinvloed laten een verbetering zien voor de watermacrofauna.
De resultaten wijzen erop dat herstelmaatregelen leiden tot homogenisering van de faunagemeenschap. Vergelijkbaar OBN-onderzoek in andere hoogveenrestanten laat zien dat ook op langere termijn geen toename optreedt van karakteristieke en zeldzame soorten. Relictpopulaties blijken hierdoor extra kwetsbaar, terwijl abundante soorten profiteren.
Belangrijke oorzaken voor het uitblijven van faunaherstel zijn schokeffecten bij de uitvoering van maatregelen en onvoldoende herstel van terreinheterogeniteit, met name van minerotrofe overgangen en variatie in voedselrijkdom. Effectief herstel vraagt daarom om een verbrede focus: naast water vasthouden is ook de (kwalitatieve en kwantitatieve) aanvoer van gebufferd water essentieel. Een geleidelijk herstel van heterogeniteit, met aandacht voor grondwaterprocessen, biedt de beste perspectieven. Hierbij is onderscheid nodig tussen een korte-termijnstrategie gericht op het voorkomen van verdere achteruitgang en een langetermijnstrategie gericht op herstel van de regionale hydrologie.