OBN-2021-132-HE
Het prioritair habitattype Kalkmoeras (H7230) heeft een fragiele basis binnen Nederland maar ook in Duitsland en België is het zeldzaam geworden en staat de instandhouding onder druk. Ze worden vooral bedreigd door vermesting, vooral via het grondwater (nitraat en fosfaat), verdroging en versnippering. Momenteel zijn in Zuid-Limburg nog maar twee veruit elkaar gelegen percelen met een redelijk goede staat van instandhouding (Ravensbosch en Kathager Beemden).
Het is dus van belang om de bestaande kalkmoerassen te verbeteren en waar mogelijk weer uit te breiden en om landschapsgradiënten te herstellen, omdat dit kwetsbare habitatype vaak een beperkt oppervlak inneemt en daardoor gevoelig is voor randeffecten (zoals bemesting/uitspoeling). Zo krijgt het habitattype een eigen, beschermde plek.
In dit onderzoek is gekeken of het (praktisch) haalbaar is om dit type te laten uitbreiden en te achterhalen welke maximale concentratie nitraat er in het grondwater mag zitten om het kalkmoeras te beschermen.
Voor dit onderzoek, zijn 10 terreinen onderzocht, zowel in Zuid-Limburg als in de Vlaamse Haspengouw. Deze gebieden geven samen een goed beeld van de uiteenlopende standplaatsen waaronder kalkmoeras in de Euregio kan voorkomen, zowel op hellingen als op de beekdalvlakte en ofwel op veen dan wel op een minerale bodem. Naast de ecohydrologische veldstudies (vegetatie, waterregime, bodem, biomassa-productie) is een aanvullende literatuurstudie gedaan naar de hydrologische condities. Daarnaast zijn zaaiproeven uitgevoerd met een selectie aan typische kalkmoerasplanten, zowel in het veld als onder geconditioneerde omstandigheden in het laboratorium.
Het ecohydrologisch onderzoek wijst uit dat alle goed ontwikkelde kalkmoerassen, zowel in binnen als buitenland, continue hoge grondwaterstanden hebben, ook in het groeiseizoen. Het grondwater staat tenminste 80-90% van de tijd op maaiveld tot minder dan 15 cm onder maaiveld en het zakt ook daarna maar zelden dieper uit dan 30 cm onder maaiveld. Met oog op kalkmoerasontwikkeling valt op dat de basenrijkdom op alle onderzochte standplaatsen hoog is.
Er blijkt al met al meer perspectief te zijn voor behoud en herstel van Kalkmoeras dan vooraf werd gedacht. Dat laat onverlet dat vooral de kleine hellingvenen/moerasjes kwetsbaar zijn voor omgevingsinvloeden en in het bijzonder de inspoeling van nitraat. Er moet dan ook onverminderd worden gestreefd naar een verdere reductie van de nitraatbelasting van het grondwater. Daarvoor geldt een drempelwaarde van 28 mg/l, maar in geval van kalkmoeras op veenbodems, moet die belasting nog veel verder worden verlaagd om veenafbraak op termijn te voorkomen.