EC-LNV nr. 2004/288-O
Dit rapport evalueert de langetermijneffectiviteit van herstelmaatregelen in heide, heischrale graslanden en rivierduingraslanden. De aanleiding was een hernieuwde monitoringsronde in 2001, ongeveer tien jaar na uitvoering van effectgerichte maatregelen in 1990/1991. Het onderzoek combineerde expertise van Grontmij, Natuurbalans – Limes divergens, de leerstoelgroep landschapsecologie van de Universiteit Utrecht en de afdeling Aquatische ecologie en milieubiologie van de Katholieke Universiteit Nijmegen.
De belangrijkste conclusie is dat de positieve effecten van herstelmaatregelen nog duidelijk waarneembaar zijn na tien jaar. Dit betekent dat de investeringen in het kader van OBN op lange termijn hun vruchten afwerpen. Een tweede bevinding is dat bepaalde maatregelen in combinatie veel effectiever zijn, bijvoorbeeld het afplaggen van heide in combinatie met bekalking. De resultaten maken echter ook duidelijk dat volledig herstel van heischrale graslanden stokt door een gebrek aan beschikbaarheid van zaad van de zeldzamere doelsoorten.
De maatregelen grijpen uitdrukkelijk aan op de oorzaken van achteruitgang: plaggen tegen vermesting, bekalken en leem tegen verzuring, en hydrologische ingrepen tegen verdroging. In natte heischrale graslanden keerden dertig rodelijstsoorten terug, in droge heischrale graslanden tien soorten, en in rivierduingraslanden slechts twee.
Een cruciale les is dat herstel maatregelen tijdig moeten worden uitgevoerd, bij voorkeur in aanwezigheid van restpopulaties die als zaadbron kunnen fungeren. Het uitblijven van regulier beheer kan het positieve effect tenietdoen: struikheide kan karakteristieke kruidachtige soorten wegconcurreren als niet wordt gemaaid of begrazen. Dit rapport is relevant voor natuurbewerkers, terreinbeheerders en beleidsmakers die werken aan het herstel van schraallanden.