OBN 2012-156-dkdz
In dit OBN-onderzoek is de ontwikkeling van de invasieve mossoort Grijs kronkelsteeltje onderzocht in twee belangrijke Natura 2000-habitattypen: stuifzanden (H2330) en grijze duinen (H2130). In stuifzanden is de ontwikkeling van mosmatten gedurende 3 tot 17 jaar gevolgd. De soort koloniseert open zand relatief snel en kan langer dan tien jaar dominant aanwezig blijven. Daarna zet doorgaans successie in richting grasrijke vegetaties. Hierdoor nemen kenmerkende korstmossenvegetaties van het habitattype af op locaties waar Grijs kronkelsteeltje domineert.
De resultaten laten geen eenduidig landelijk beeld zien. In veel stuifzandgebieden zijn de vestigingsomstandigheden nog steeds gunstig, behalve in Noord-Nederland. Belangrijke oorzaken zijn hoge stikstofdepositie (>25 kg/ha/jaar) en bepaalde beheermaatregelen. Vooral ondiep plaggen, frezen, eggen of begrazing met grote grazers kunnen leiden tot blootstelling van kaal, humeus zand, wat vestiging van de soort bevordert.
In grijze duinen vond tussen 1970 en 1990 een sterke toename plaats. In kalkrijke duinen is de soort tegenwoordig vrijwel verdwenen. Vermoedelijk heeft de afname van zure regen na 1990 geleid tot minder bodemverzuring, waardoor het milieu minder geschikt werd. Op voormalige groeiplaatsen zijn nu vaak kwalitatief betere duingraslanden aanwezig.
In kalkarme duinen is het beeld wisselend. Door relatief lage stikstofdepositie wordt de soort nergens sterk dominant. Wel zijn op voormalige groeiplaatsen regelmatig soortenarme vegetaties met zandzegge ontstaan, wat kan wijzen op een geleidelijke kwaliteitsafname van kalkarme duingraslanden.
Het onderzoek laat zien dat de effecten van de invasie sterk afhankelijk zijn van bodemchemie, stikstofbelasting en beheer.