OBN 2011-153-DZ – Monitoring
Het project onderzocht de effecten van plaggen in vijf naaldbossen op arme zandgronden. Door het verwijderen van de strooisel- en humuslaag wordt veel opgehoopte stikstof afgevoerd en komt de nutriëntarme minerale bodem aan het oppervlak. Verwacht werd herstel van nutriëntarme condities, verbetering van boomvitaliteit, ontwikkeling van soortenrijke oligotrofe vegetatie (natuurbeheertype 15.02) en spontane bosverjonging.
Plaggen blijkt zeer effectief in het afvoeren van nutriënten: per hectare werd circa 60–150 ton organische stof en 1200–1900 kg stikstof verwijderd. Dit leidt tot een sterke reductie van mineralisatie en een tijdelijke blokkade van nitrificatie, waardoor minder nitraat wordt gevormd en de pH stijgt. Het aanbod van minerale stikstof daalt aanzienlijk. Deze abiotische effecten zijn echter niet duurzaam: bij gelijkblijvende stikstofdepositie is de oorspronkelijke stikstofvoorraad naar verwachting binnen 50–60 jaar hersteld.
De effecten verschillen per gebied. In bodemvochtmetingen lijken de effecten sterker bij hogere stikstofdepositie, maar dit patroon wordt niet eenduidig bevestigd in de vaste bodemfase. Dunning blijkt bovendien een deel van de effecten te maskeren.
Herstel van vegetatie treedt vooral op in noordelijke gebieden met relatief lage stikstofdepositie. Daar neemt het aantal soorten toe en keren heidesoorten tijdelijk terug. In zuidelijke gebieden met hogere depositie blijven vegetatie-effecten beperkt, ondanks duidelijke abiotische veranderingen. Vergrassing met Bochtige smele en opslag van Grove den en Ruwe berk treden binnen enkele jaren weer op. De moslaag herstelt nauwelijks. Ook de ectomycorrhizaflora profiteert tijdelijk, vooral soorten van vroege successiestadia.
De eindconclusie is dat plaggen bij hoge stikstofbelasting geen effectieve maatregel is voor duurzaam vegetatieherstel. Zelfs bij lage depositie zijn de effecten beperkt en tijdelijk. Gezien de hoge kosten is een zorgvuldige locatiekeuze essentieel.