OBN 2007/074
Mozaïekbeheer is sinds eind jaren ’90 ingezet om de kuikenoverleving van weidevogels te verhogen door verbetering van het aanbod aan ‘kuikenland’ — via maaitrappen in mei, ongemaaide stroken, uitstel van maaien tot juni en andere maatregelen. Dit OBN-rapport maakt een tussenbalans op van de resultaten tot nu toe en identificeert kennislacunes voor verbetering.
Het onderzoek bestudeerde drie grote experimenten (Waterland, Noord-Nederland, Nederland-Gruttoland) en voerde aanvullende regressie-analyses uit op data uit 12 gebieden (2003-2006). Resultaten tonen beperkte aanknopingspunten voor een doelmatig beheerrecept. Er zijn significante relaties gevonden tussen succes en externe factoren zoals predatie en ongestoordheid, maar nauwelijks met beheerfactoren zelf. Een opvallend jaareffect uit 2006 wijst echter wel op het belang van voldoende kwalitatief goed kuikenland in de tweede helft van mei — iets dat door weersomstandigheden toen werd bereikt.
Via een clusteranalyse werden vier soortgroepen onderscheiden met vergelijkbare beheerbehoefte: kievit-grutto-groep, slobeend-watersnip-groep, zangvogel-groep en een mengeling van grasland-bouwlandgebieden. Dit laat zien dat met de grutto als gidssoort lang niet alle weide- en akkervogels optimaal worden bediend. De huidige norm van 1,4 ha kuikenland per gruttobroedpaar kan niet worden bevestigd als voldoende.