2013/OBN176-DZ
Soortenrijke heischrale graslanden behoren tot het prioritaire Natura 2000-habitattype H6230 en zijn door landbouwintensivering en verzuring de afgelopen eeuw sterk achteruitgegaan. Nederland heeft zich ten doel gesteld het oppervlak aanzienlijk te vergroten, maar een knelpunt is vaak de afwezigheid van karakteristieke soorten in de zaadbank en omgeving van her in te richten voormalige landbouwgronden.
Dit OBN-rapport onderzoekt oplossingen via veldexperimenten. Het tweejarige project (2011-2013) testte in Drenthe, Gelderland en Limburg verschillende technieken voor het aanbrengen van maaisel, zaden en bodemmateriaal (kruimels, plagjes, slurrie) op recent ontgronde landbouwgronden.
Belangrijke bevindingen: het opbrengen van maaisel uit goed ontwikkelde gebieden bevorderde de ontwikkeling van heischrale vegetatie; het toevoegen van zaden bleek na één jaar 30-50% succesvol; en het inbrengen van bodemkruimels was effectief voor het herstellen van de bodembiotagemeenschap (nemato-den). Vergelijking met tien tot vijftien jaar eerder heringerichte terreinen toont aan dat de vegetatie daar vaak nog minder goed ontwikkeld is dan in referentiegebieden — veel Rode-lijstsoorten ontbreken, en fosfaat- of stikstofbeschikbaarheid blijft soms te hoog. In vijf reeds herstelde terreinen liet kleinschalig experimenteren met plaggen, maaisel en zaden zien dat lokale openmaking de vestiging van kenmerkende soorten kan bevorderen.