OBN-2026-156-BE
In beekdalen komen van nature overstromingen voor. Dit kan leiden tot waardevolle gradiënten in voedselrijkdom, zuurgraad, bodem en vegetatie. Door normalisatie van beken zijn inundaties nu echter zeldzaam. Waar ze nog wel optreden lijkt dat vooral te leiden tot verruiging of een ongewenste soortenverandering. Plantensoorten met mindere concurrentiekracht verdwijnen. Dit komt voor in een brede range van vegetaties: graslanden, oeverwalvegetaties, bloemrijke ruigten, kleine zeggenvegetaties, trilvenen, grote zeggenvegetaties, bronbossen en broekbossen.
Het overstromingswater bevat naast opgeloste nutriënten en vervuilingen vaak ook N- en P-rijk (en vaak ook S-rijk) slib dat bij lage stroomsnelheid of bij stagnatie in laagten bezinkt. Waar regelmatig inundaties optreden is de aanvoer van N via overstroming (aanzienlijk) groter dan die via stikstofdepositie. Belangrijk is ook de aanvoer van zware metalen en andere toxische stoffen.
De problematiek zal in de toekomst toenemen door inrichtingsmaatregelen (zoals vernatting, beekherstel) om verdroging en verzuring door te lage grondwaterstanden of afname van kwel op te heffen, en door klimaatverandering die zal leiden tot meer inundaties door nattere winters en het frequenter optreden van neerslagextremen in de zomer.
Er zijn geen streefwaarden of normen voor wat de verschillende natuurtypen aan belasting kunnen verdragen. Deze kennis is wel nodig om te beoordelen of overstroming toelaatbaar is, dan wel maatregelen te definiëren (in ruimte en tijd) om negatieve effecten te verminderen.
Bron- of effectgerichte maatregelen om de sliblast van bekende bronnen te verminderen komen niet of nauwelijks terug in beleidsdocumenten, uitvoeringplannen en monitoring. Het onderzoek is daarmee relevant voor Provincies, Waterschappen en terreinbeheerders.
In de adviezen van de ecologische autoriteit komt het gebrek aan inzicht van de effecten van inundaties met voedselrijk oppervlaktewater en/of het gebrek aan inzicht in noodzakelijke maatregelen om de oppervlaktewaterkwaliteit te verbeteren terug in alle N2000 gebieden waar inundaties een rol spelen. Het onderzoek is daarmee direct relevant voor het programma Natuur. Ook vanuit de KRW en in het bijzonder het addendum op de nitraatrichtlijn ligt er een forse opgave om de nutriëntenlast op beken te verlagen.
Het onderzoek moet leiden tot een raamwerk voor de voorspelling van effecten van inundatie waarmee beantwoord kan worden onder welke omstandigheden en voor welke natuurtypen vermesting als gevolg van inundatie een rol speelt.
Het effect van inundaties op natuur dient centraal te staan in dit onderzoek, waarin het kwantificeren van relevante processen, transportroutes en mogelijke maatregelen de belangrijkste pijlers vormen.