OBN-2025-152-NZ
Het voorgestelde onderzoek vormt een eerste uitwerking van thema 1 van de OBN‑kennisagenda 2025–2030, dat zich richt op het toekomstbeeld van Nederlandse natuur over dertig jaar. In het natte zandlandschap bevinden zich belangrijke habitattypen met een beperkt Europees areaal, zoals hoogvenen, natte heiden en vennen. Deze gebieden huisvesten soorten die in Nederland hun areaalgrens bereiken, waardoor de effecten van klimaatverandering op soortensamenstelling en ecosysteemfunctioneren extra zichtbaar zijn. Door opschuivende klimaatzones is onzeker of huidig beheer volstaat, welke alternatieve doelen mogelijk zijn en welke referentiebeelden of doelsoorten richtinggevend kunnen zijn voor beleid in 2050.
Het onderzoek richt zich op vennen, specifiek hoogveenvennen (H3160) en zwakgebufferde vennen (H3130). Deze systemen leveren verschillende ecosysteemdiensten, zoals koolstofopslag en biodiversiteit, en vormen daardoor geschikte eenheden voor een eerste verkenning naar klimaatgevoeligheid van ecosystemen in het natte zandlandschap. De opgedane inzichten kunnen later worden verbreed naar andere ecosystemen.
De centrale kennislacune betreft het beperkte inzicht in hoe veranderende temperatuur, neerslagpatronen en hydrologische processen de abiotische randvoorwaarden van vennen beïnvloeden. Onzeker is in hoeverre veenvorming standhoudt bij toenemende droogval, of toestroom van lokaal grondwater in zwakgebufferde vennen op peil blijft, en hoe vennen omgaan met extreme afwisseling tussen droogte en neerslagoverschotten. Daarnaast is onvoldoende bekend hoe flora en fauna reageren op verschuivende abiotische factoren en wat dit betekent voor toekomstige soortenrijkdom en natuurwaarden. Deze kennis is essentieel voor toekomstbestendig beheer en beleid.