Rapportnummer 2014/195-NZ
Er is veel kennis verzameld in OBN-hoogveenonderzoek maar het is nog steeds niet duidelijk hoe bepalend de mogelijke aantastingen van ‘de veenbasis’ is. Hoogveenrestanten hebben vaak te maken met versterkte wegzijging van water. De mate waarin dat gebeurt hangt onder andere af van het onderste deel van het veenpakket en eventueel daaronder aanwezige slecht doorlatende minerale lagen: de veenbasis. Veronderstelling is dat de veenbasis meer doorlatend zal worden als er geen contact meer is met het onderliggende grondwater. De toename van de doorlatendheid zou het gevolg zijn van de toename van microbiële afbraak van de in de veenbasis aanwezige organische stof en van scheurvorming, als gevolg van uitdroging en toetreding van zuurstof ‘van onderaf’. Uit de beschikbare informatie blijkt helaas dat voor de huidige hoogveengebieden maar zelden informatie beschikbaar is over type en patroon van de veenbasis. Voor hoogvenen met een stagnerende minerale laag als veenbasis zal verhoging van de grondwaterstand tot in die veenbasis nauwelijks een effect hebben. Voor zover het een organische laag betreft, zal dat effect echter veel kleiner zijn dan dat van aantasting van het hoogveen ‘van bovenaf’ door bijvoorbeeld vermesting of drainage. Dit benadrukt het belang van een grondige gebiedsgewijze inventarisatie van de veenbasis ter voorbereiding van plannen voor beheer en herstel.