OBN-2019-106-LZ
De komende decennia zal op grote schaal worden ingezet op herstel en ontwikkeling van natte graslanden. Dit gebeurt vanuit verplichtingen binnen het Europese Natura 2000-netwerk en het Natuurnetwerk Nederland, maar ook in het kader van klimaatadaptatie, landbouwtransitie en het versterken van ecosysteemdiensten. Vooral het herstel van matig voedselrijke (mesotrofe) natte graslanden blijkt in de praktijk complex: ondanks uitgebreide kennis over hydrologie en biogeochemie blijken vernattingsprojecten niet altijd te leiden tot het gewenste herstel van soortenrijke vegetaties.
In dit rapport wordt onderzocht welke factoren bepalend zijn voor het succes van vernatting in laagveengebieden. Centraal staat de samenhang tussen vegetatie, bodemchemie (met name fosfaat, ijzer en calcium), grondwater en waterstand. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van OBN natuurkennis door Royal HaskoningDHV en de Universiteit Utrecht.
Het onderzoek bestond uit een literatuurstudie, veldonderzoek en een experiment met veenkolommen. Zes ecologisch waardevolle laagveengebieden in Noord-Nederland zijn onderzocht: Peizermaden, Loonerdiep, Leijer Hooilanden, Meppelerdiep, Veldweg en Stobbenribben. Deze locaties vormen samen een gradiënt in ijzer- en fosforrijkdom van de bodem. In elk gebied zijn veenkolommen gestoken waarin gedurende 154 dagen verschillende waterstanden zijn aangehouden, om de effecten van lichte verdroging te simuleren.
Uit de veldmetingen en veenanalyses blijkt dat de onderzochte gebieden sterk verschillen in chemische samenstelling, buffercapaciteit en nutriëntenbeschikbaarheid. IJzerrijke laagvenen bevatten over het algemeen ook meer fosfor in de bodem. De nutriëntenverhoudingen in de vegetatie laten zien dat in ijzerrijke gebieden (zoals Peizermaden en Loonerdiep) stikstof (en soms ook kalium) de groei beperkt, terwijl in ijzerarme gebieden (zoals Veldweg en Stobbenribben) fosfor de beperkende factor is. Daarmee wordt bevestigd dat fosfaatbeschikbaarheid sterk samenhangt met de aanwezigheid van ijzer in het veen.
Een belangrijk resultaat is dat veranderingen in waterstand gedurende de experimentele periode nauwelijks effect hadden op de fosfaatbeschikbaarheid. De binding van fosfaat aan ijzer en aluminium bleek relatief stabiel, zolang het veen vochtig tot nat bleef. Dit suggereert dat deze laagveengebieden niet direct zeer kwetsbaar zijn voor eutrofiëring door kortdurende waterstandsfluctuaties. Tegelijkertijd werd bij lagere waterstanden in enkele gebieden wel een toename van stikstofbeschikbaarheid en verzuring waargenomen, wat wijst op risico’s bij langdurige of sterkere verdroging.
Op basis van de resultaten worden gebiedspecifieke beheeradviezen gegeven. Cruciaal is het waarborgen van een goede waterkwaliteit, vooral in gebieden die afhankelijk zijn van aanvoerwater of grondwater. In fosfor-gelimiteerde laagvenen is behoud van ijzerarme, voedselarme omstandigheden essentieel, terwijl in stikstof-gelimiteerde systemen vooral stikstofbelasting via aanvoerwater en depositie moet worden beperkt.
Het onderzoek onderstreept dat succesvol herstel van mesotrofe laagvenen maatwerk vereist, waarbij hydrologie, bodemchemie en nutriëntenbalans in samenhang moeten worden beschouwd.