UPN-2022-014-LZ
Kansen, knelpunten en kennislacunes voor ontwikkeling van een ‘Natte As’ als verbindingszone
Grofweg zijn er momenteel nog twee grote laagveenrelicten te onderscheiden: enerzijds het laagveengebied in de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht, en anderzijds het laagveengebied in het noordoosten van Nederland (Friesland, Groningen, Drenthe en het noordwesten van Overijssel. Doordat de verbinding tussen de veengebieden verloren is gegaan, zijn veel populaties van soorten van het laagveen geïsoleerd geraakt in deze gebieden. Dit heeft als resultaat dat soorten nog maar in één van de twee veengebieden (noord of west) voorkomen, of dat de soorten wel in beide gebieden voorkomen, maar dat er geen uitwisseling tussen de populaties meer kan plaatsvinden.
In dit onderzoek is onderzocht in hoeverre een zone kan worden ontwikkeld die een verbinding kan vormen tussen de twee laagveengebieden. De focus van het onderzoek lag hierbij op de oostzijde van Flevoland, de westzijde van Gelderland, de noordzijde van Utrecht en de randmeerzones in Noord-Holland en Overijssel.
In vrijwel de gehele Randmeerzone is in een smalle strook langs de grote meren potentie aanwezig voor de ontwikkeling van jonge verlandingsvegetaties. De verwachting is dat het huidige areaal aan NNN voldoende is om een robuuste verbindingszone tussen de laagveenrelicten te creëren. Een aantal relatief grote gebieden is in potentie geschikt voor de ontwikkeling van rietvelden. Hoewel de afstanden tussen de verschillende gebieden behoorlijk groot zijn, hebben de bijbehorende soorten een grote dispersiecapaciteit. In de Randmeerzone zijn verschillende grote gebieden aanwezig voor veenbossen. Vanwege de relatief grote omvang van de gebieden, is de verwachting dat zich hier robuuste populaties kunnen vestigen.
Voor kranswierwateren blijven echter wel een twee ‘gaten’ over: in het Ketelmeer-Vossemeer en delen van het Eemmeer-Gooimeer. Voor de meeste soorten zijn deze ongeschikte leefgebieden te overbruggen, maar voor enkele soorten blijven er vermoedelijk knelpunten bestaan. Voor zoete plas zijn er kansen in de grote meren zelf, maar ook in het achterliggende gebied. Er zijn enkele grote gebieden met potentie en verscheidene kleinere gebieden met potentie.
Beheerders en bestuurders zouden nu met deze gegevens in de hand, samen moeten kijken waar ze kansen daadwerkelijk kunnen gaan realiseren om uiteindelijk de verbinding tot stand te brengen.