OBN-2016-208-LZ
Karakteristiek voor het Nederlandse laagveenlandschap is een mozaïek van petgaten. Door de verschillen in verlandingsstadium waarin petgaten binnen een gebied verkeren -van open water met ondergedoken waterplanten, via drijvende kraggen tot moerasbos- dragen zij bij aan een biodiversiteit van zowel flora als fauna.
Deze verlanding van petgaten is echter in veel laagveengebieden gestagneerd. Het doel van dit onderzoek was om mogelijke oorzaken te begrijpen en zo mogelijk maatregelen te bedenken om de verlanding wel weer op gang te brengen. In dit onderzoek is een aantal herstelmaatregelen ingezet om verlanding te stimuleren. Eén daarvan is de inzet van drijvende constructies.
Voor de ontwikkeling van trilveen uit jonge verlanding blijkt onder de huidige omstandigheden een zeer intensief beheer nodig. Er moet op het juiste moment begonnen worden met jaarlijks maaien, al voor dat boompjes de overhand krijgen, en dat is mogelijk door de verhoogde stikstofdepositie tegenwoordig al erg vroeg in de successie. Voor de jonge mesotrafente verlandingstypen die richting trilveen kunnen gaan, is aanvoer van gebufferd water (vaak via kwel) nodig. Ondanks dat de hydrologische omstandigheden van veel voormalige kwelgebieden zodanig is veranderd dat de kweldruk veel lager is dan vroeger, kan hier in de inrichting wel rekening mee gehouden worden.