Paddenstoelen in het natuurbeheer – preadvies deel 2
Deze publicatie biedt een overzicht van de mycoflora per natuurtype en beschrijft welke paddenstoelen kenmerkend zijn voor verschillende biotopen. Per natuurtype worden kwaliteitsindicatoren en beheeradviezen gegeven waarmee beheerders de mycologische kwaliteit van natuurgebieden kunnen beoordelen en versterken. Het rapport vormt een praktisch naslagwerk voor paddenstoelvriendelijk natuurbeheer.
Paddenstoelen in het natuurbeheer – preadvies deel 1
Paddenstoelen zijn onmisbaar voor goed functionerende ecosystemen, maar blijven vaak onderbelicht in natuurbeheer. Dit eerste deel van de publicatie beschrijft hun ecologische rol, de belangrijkste knelpunten voor behoud en herstel en algemene beheerprincipes. De kennis helpt beheerders paddenstoelen beter mee te nemen bij herstel en kwaliteitsverbetering van natuurgebieden.
Ecologische achteruitgang en het herstel van Zuid-Limburgse hellingschraallandcomplexen
Dit onderzoek naar Zuid-Limburgse hellinggraslanden laat zien dat herstel niet alleen wordt beperkt door vermesting, maar ook door versnippering en ongeschikt beheer. Aangepaste begrazing, uitbreiding en verbinding van natuurgebieden en gericht herstel met plaggen en maaisel bieden de beste kansen voor duurzaam herstel van kalkgraslanden en heischrale graslanden.
Nevengeulen in uiterwaarden als kraamkamer voor riviervissen
Dit onderzoek laat zien dat nieuw aangelegde habitattypen in uiterwaarden een belangrijke bijdrage leveren aan het herstel van riviervissen. Vooral meestromende nevengeulen en aangetakte strangen zijn waardevolle opgroeihabitats voor stroomminnende soorten. De resultaten benadrukken het belang van een gevarieerd rivierlandschap, waarin verschillende habitattypen elkaar aanvullen en bijdragen aan een grotere biodiversiteit.
Ontwikkeling van droge heischrale graslanden op voormalige landbouwgronden – fase 1
Soortenrijke heischrale graslanden behoren tot het prioritaire Natura 2000-habitattype H6230 en zijn door landbouwintensivering en verzuring de afgelopen eeuw sterk achteruitgegaan. Nederland heeft zich ten doel gesteld het oppervlak aanzienlijk te vergroten, maar een knelpunt is vaak de afwezigheid van karakteristieke soorten in de zaadbank en omgeving van her in te richten voormalige landbouwgronden.
Dit OBN-rapport onderzoekt oplossingen via veldexperimenten. Het tweejarige project (2011-2013) testte in Drenthe, Gelderland en Limburg verschillende technieken voor het aanbrengen van maaisel, zaden en bodemmateriaal (kruimels, plagjes, slurrie) op recent ontgronde landbouwgronden.
Belangrijke bevindingen: het opbrengen van maaisel uit goed ontwikkelde gebieden bevorderde de ontwikkeling van heischrale vegetatie; het toevoegen van zaden bleek na één jaar 30-50% succesvol; en het inbrengen van bodemkruimels was effectief voor het herstellen van de bodembiotagemeenschap (nemato-den). Vergelijking met tien tot vijftien jaar eerder heringerichte terreinen toont aan dat de vegetatie daar vaak nog minder goed ontwikkeld is dan in referentiegebieden — veel Rode-lijstsoorten ontbreken, en fosfaat- of stikstofbeschikbaarheid blijft soms te hoog. In vijf reeds herstelde terreinen liet kleinschalig experimenteren met plaggen, maaisel en zaden zien dat lokale openmaking de vestiging van kenmerkende soorten kan bevorderen.
Uitvoering van vernattingsmaatregelen op praktijkschaal 1997-2003
Dit onderzoek evalueert de effecten van vernatting in het Koelbroek, een waardevol elzenbroekbos in Limburg. Een te hoog en stilstaand waterpeil leidde aanvankelijk tot boomsterfte en eutrofiëring. Na aanpassing van het waterbeheer trad herstel op. Het onderzoek onderstreept dat succesvol herstel van broekbossen vraagt om gebiedseigen water, doorstroming en een natuurlijke peildynamiek.
Sieralgen en biodiversiteit: bijdrage, functioneren en beheer-fase 1
Sieralgen vormen een belangrijke, maar vaak onderbelichte groep binnen de Nederlandse biodiversiteit. Dit rapport beschrijft de huidige kennis over hun verspreiding, ecologie en ontwikkeling, en laat zien dat herstelmaatregelen in vennen positieve effecten kunnen hebben. Daarnaast beantwoordt het zes kennisvragen over doelsoorten, waterplanten, herstelmaatregelen en de beoordeling van de kwaliteit van leefgebieden.
Procesmonitoring Nederland Weidevogelrijk
Dit rapport evalueert de pilotaanpak Nederland Weidevogelrijk, waarin gebiedsgericht en flexibel weidevogelbeheer centraal staat. De resultaten laten zien dat samenwerking, maatwerk en professionele begeleiding leiden tot meer beheermaatregelen en een grotere inzet van agrariërs. Voor succesvolle opschaling zijn blijvende samenwerking, eenvoudige organisatie en aandacht voor predatie belangrijke randvoorwaarden.
Vossen en Weidevogels in Noord-Holland
Dit rapport onderzoekt de invloed van vossenpredatie op het nestsucces van weidevogels. De resultaten laten zien dat vossen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan nestverliezen, vooral bij grutto’s en later in het broedseizoen. Daarnaast wijst het onderzoek erop dat frequente nestcontroles het broedsucces kunnen beïnvloeden. De relatie tussen vossendichtheid en predatiekans kon niet worden vastgesteld.
Voorstel bouwstenen nieuwe weidevogelpakketten agrarisch natuurbeheer in een notendop
Dit rapport biedt bouwstenen voor de ontwikkeling van effectieve en uitvoerbare beheerpakketten voor agrarisch weidevogelbeheer. De voorstellen sluiten aan op beleidskaders en Europese regelgeving en zijn toepasbaar voor verschillende weidevogelsoorten. Tegelijk benadrukken de auteurs dat duurzaam herstel van weidevogelpopulaties alleen mogelijk is met gerichte maatregelen in kerngebieden en verbetering van de kwaliteit van het grasland.
Verjonging van Jeneverbes in het Nederlandse heide- en stuifzandlandschap
Dit rapport onderzoekt de natuurlijke verjonging van jeneverbesstruwelen in Nederland. Hoewel op verschillende locaties weer jonge jeneverbessen worden aangetroffen, blijft spontane uitbreiding beperkt. Het onderzoek laat zien welke omstandigheden verjonging bevorderen en geeft praktische aanbevelingen voor beheer, zoals gerichte begrazing, bescherming van zaailingen en herstel van geschikte bodemomstandigheden.
Verbrakking in het laagveenlandschap fase 3
Dit rapport onderzoekt de effecten van verbrakking in Nederlandse veengebieden en de kansen voor herstel van brakke natuur. De resultaten laten zien dat verbrakking de beschikbaarheid van nutriënten verlaagt en de methaanuitstoot sterk vermindert. Daarnaast biedt het praktische aanbevelingen voor waterbeheer en beheermaatregelen die bijdragen aan het behoud van karakteristieke brakwatersoorten, zoals Echt lepelblad.
Verbrakking in het laagveen- en zeekleilandschap fase 1 + 2
Dit rapport onderzoekt de kansen en risico’s van verbrakking voor natuur- en waterbeheer in het Nederlandse laagveen- en zeekleilandschap. De resultaten laten zien dat een toename van het zoutgehalte kan bijdragen aan natuurherstel, minder veenafbraak en lagere methaanuitstoot. Succesvolle toepassing vraagt om een goede systeemanalyse, zorgvuldig beheer en locatiespecifieke afwegingen.
Mozaïekbeheer voor weidevogels: evaluatie en mogelijkheden voor optimalisering
Dit rapport evalueert de effectiviteit van mozaïekbeheer voor de kuikenoverleving van weidevogels. De resultaten laten zien dat beheermaatregelen alleen geen garantie bieden voor succes; ook predatie, rust en weersomstandigheden spelen een belangrijke rol. Daarnaast blijkt dat verschillende weidevogelsoorten uiteenlopende beheerbehoeften hebben, waardoor maatwerk noodzakelijk is voor effectief weidevogelbeheer.
Effectiviteit van herstelbeheer in vennen en duinplassen op de middellange termijn
Dit OBN rapport evalueert het herstelbeheer van vennen en duinplassen 10 tot 25 jaar na uitvoering van maatregelen. De resultaten laten zien dat veel karakteristieke soorten zijn teruggekeerd en dat de effecten van herstelbeheer op langere termijn toenemen. Tegelijk blijven stikstofdepositie, verdroging, invasieve soorten en klimaatverandering belangrijke belemmeringen voor volledig en duurzaam herstel.
Lange-termijn effecten van herstelbeheer in heide en heischrale graslanden
Dit rapport evalueert de effecten van herstelmaatregelen in heide, heischrale graslanden en rivierduingraslanden, tien jaar na uitvoering. De resultaten laten zien dat maatregelen als plaggen, bekalken en hydrologisch herstel langdurig effectief zijn, vooral in combinatie. Tegelijk blijkt dat volledig herstel afhankelijk is van voldoende zaadbronnen en voortgezet beheer om karakteristieke soorten duurzaam terug te laten keren.
Evaluatie effecten van ondiep plaggen in verruigde duingraslanden in de AWD
Dit rapport onderzoekt ondiep plaggen als maatregel tegen vergrassing en verruiging van duingraslanden in de Amsterdamse Waterleidingduinen. De resultaten laten zien dat deze methode een effectief en relatief goedkoop alternatief is voor bestaand beheer. Op één locatie herstelden karakteristieke plant- en diersoorten snel, terwijl het herstel op een tweede locatie langzamer verliep door verschillen in bodemomstandigheden.
Grutto’s in ruimte en tijd 2007-2010
Dit rapport laat zien dat extensief beheerd grasland cruciaal is voor het behoud van de grutto. Door een hogere grondwaterstand, kruidenrijke vegetatie en later maaien is het broedsucces hier veel groter dan op intensief beheerd land. De auteurs concluderen dat alleen grootschalige, aaneengesloten gebieden met geschikt beheer voldoende jongen opleveren om de populatie op lange termijn in stand te houden.
Effect van vernatting in bossen
Dit OBN rapport beschrijft hoe vernatting in bossen kan bijdragen aan natuurherstel, waterberging en bosontwikkeling, maar benadrukt dat duidelijke doelstellingen en een zorgvuldige uitvoering essentieel zijn. Het bespreekt de risico’s voor bomen, verschillen tussen boomsoorten en geeft praktische aanbevelingen voor gefaseerde vernatting, monitoring en flexibel waterbeheer. Daarnaast worden demonstratielocaties gepresenteerd waar de effecten van vernatting in de praktijk zichtbaar zijn.
Ecologische kenmerken van weidevogeljongen en de invloed van beheer op overleving
Ecologische randvoorwaarden voor weidevogelsoorten in het broedseizoen
Dit OBN-onderzoek beschrijft de ecologische randvoorwaarden voor weidevogels in het Wormer- en Jisperveld. De beschikbaarheid van regenwormen en emelten en een geschikte vegetatiestructuur blijken cruciaal voor soorten als grutto, tureluur en kievit. Het rapport laat zien dat beheer voor weidevogels en moerasvogels verschillende eisen stelt en benadrukt het belang van gebiedsgerichte keuzes en integraal natuurbeheer
De rol van de berk bij herstel en beheer van hoogveen
Dit OBN onderzoek laat zien wanneer het verwijderen van berken bijdraagt aan het herstel en behoud van levend hoogveen. Berkenbestrijding blijkt vaak, maar niet altijd, effectief en vraagt om een gebiedsspecifieke afweging. Daarnaast onderstreept het rapport dat vermindering van stikstofdepositie essentieel blijft, omdat deze de vestiging van berken stimuleert, ook na succesvolle vernattingsmaatregelen.
10 jaar herstelmaatregelen in OBN-referentieprojecten van natte schraallanden
Dit rapport evalueert tien jaar na herstelmaatregelen de bodemchemische ontwikkeling van natte schraallanden. Het onderzoekt hoe vernatting en plaggen de basen- en voedingstoestand beïnvloeden en waarom herstel niet overal succesvol is. De resultaten tonen dat bodemprocessen complex zijn en onderstrepen het belang van locatiespecifieke analyses bij herstel van deze kwetsbare natuurgebieden.
Herstel en ontwikkeling van hardhoutooibossen
Dit rapport biedt inzichten voor herstel en ontwikkeling van hardhoutooibossen in de Nederlandse uiterwaarden. Het benadrukt de waarde van spontane bosontwikkeling boven aanplant en laat zien dat kansen bestaan in alle hoogtezones van het rivierlandschap. Daarnaast geeft het aanbevelingen voor begrazing, beheer en samenwerking met rivierbeheerders om duurzame ontwikkeling van dit zeldzame bostype mogelijk te maken.