Behoud van biodiversiteit in oude duingraslanden
Duingraslanden (Grijze duinen, H2130) zijn soortenrijke Natura 2000-habitats, maar oude successiestadia zijn onderbelicht geraakt in beheer. Dit rapport onderzoekt waarom sommige oude duingraslanden soortenrijk blijven en andere verarmen, welke rol stikstofdepositie speelt en welke beheermaatregelen effectief zijn voor behoud en herstel, op basis van veldonderzoek, experimenten en praktijkervaring.
Megasuppleties en zeewaartse duinontwikkeling
De duinnatuur staat onder druk door zeespiegelstijging, erosie en toenemende ruimteclaims, vooral in smalle duingebieden. Dit OBN onderzoek verkent zeewaartse kustuitbreiding als alternatief voor traditionele kustverdediging. Op basis van 28 studiegebieden zijn ontwikkelingsschema’s en ontwerprichtlijnen opgesteld voor megasuppleties die veiligheid combineren met nieuwe kansen voor duinnatuur.
Vegetatie en milieuomstandigheden van laagveengebieden die verschillen in ijzerrijkdom
Dit onderzoek laat zien dat succesvol herstel van mesotrofe laagvenen sterk afhangt van de samenhang tussen waterstand, bodemchemie en nutriëntenbeschikbaarheid. Vooral de rol van ijzer bij fosfaatbinding is cruciaal. Kortdurende waterstandsverlaging leidt niet direct tot eutrofiëring, maar langdurige verdroging vergroot wel het risico op verzuring en stikstofbeschikbaarheid.
Ecologische effecten van zandsuppleties op de duinen langs de Nederlandse kust
Dit OBN onderzoek toont dat ecologische effecten van zandsuppleties in duinen vooral indirect verlopen via veranderingen in dynamiek. Overstuiving beïnvloedt bodem, vegetatie en fauna sterker dan suppletie zelf, met verschuivingen in duintypen en grotere faunavariatie. Suppletie zelf heeft nauwelijks directe impact op soortensamenstelling of habitatkwaliteit.
Effecten van suppleties op duinontwikkeling – Geomorfologie
Dit onderzoek laat zien dat grootschalige zandsuppleties langs de Nederlandse kust leiden tot een structureel hogere zandaanvoer naar de duinen. Suppleties beïnvloeden daarmee duinvorming, dynamiek en mogelijk Natura 2000-habitats. Dynamisch kustbeheer biedt kansen om kustveiligheid en natuurontwikkeling beter te combineren.
Geochemische effecten van zandsuppleties in Nederland
Dit OBN-rapport analyseert de geochemische effecten van kustsuppleties langs Nederland. Onderzoek op twaalf locaties toont dat gesuppleerd zand chemisch licht verschilt van natuurlijk zand, met regionale variatie. Normen worden niet overschreden en ecologische effecten zijn contextafhankelijk. Geochemie biedt waardevolle aanvullingen voor beheer en monitoring.
Geochemische effecten van zandsuppleties langs Hollandse kust
Dit rapport onderzoekt of zandsuppleties langs de Hollandse kust leiden tot verschillen in geochemie en korrelgrootte ten opzichte van natuurlijk duinzand. Analyse van 366 bodemmonsters toont meetbare, gebiedsafhankelijke verschillen, maar geen overschrijding van normen en waarschijnlijk beperkte ecologische en geomorfologische effecten.
Fauna in het rivierengebied
Het onderzoek laat zien dat herstel van fauna in het Nederlandse rivierengebied wordt belemmerd door habitatverlies, kwaliteitsproblemen en ontbrekende habitatcombinaties. Door analyse van voorbeeldsoorten en riviertrajecten biedt het rapport handvatten voor faunagerichte natuurontwikkeling op trajectschaal, met robuuste netwerken van sleutelgebieden en stapstenen.
Naar een rode lijst met Groene Stip voor hogere planten in Nederland
Na tien jaar OBN-projecten is onderzocht hoe herstelmaatregelen bijdragen aan behoud van bedreigde plantensoorten. Een evaluatiemethodiek met Groene Stip en tipparade toont dat natte ecosystemen beter herstellen dan droge. De aanpak ondersteunt beleidskeuzes, beheer, prioritering en wijst op noodzaak van brongerichte maatregelen en verdere uitbreiding naar andere soorten en ecosystemen.
Invloed van aantasting en maatregelen op de faunadiversiteit in Korenburgerveen – 2e fase
Dit eindrapport analyseert de effecten van herstelmaatregelen op watermacrofauna in het Korenburgerveen. Herstel leidt op korte termijn tot verstoring en homogenisering, waarbij algemene soorten toenemen en zeldzame soorten verdwijnen. Terreinheterogeniteit en gebufferd water blijken cruciaal voor faunaherstel op lange termijn.
Invloed van aantasting en maatregelen op de faunadiversiteit in Korenburgerveen – 1e fase
Dit rapport beschrijft de eerste fase van OBN-referentieonderzoek in het Korenburgerveen naar het belang van landschappelijke variatie voor watermacrofauna. Ondanks aantasting is het gebied soortenrijk, maar ruimtelijk verstoord. De studie benadrukt het belang van habitatheterogeniteit en verkent dilemma’s rond hydrologisch herstel en faunabehoud.
Verbinden van laagveengebieden via de Randmeerzone
Het laagveen in Nederland bestaat uit twee geïsoleerde relicten in west en noordoost. Door verlies aan verbindingen zijn populaties gescheiden. Dit onderzoek verkent kansen voor een ecologische verbindingszone via de Randmeren, met potentie voor riet, veenbossen en zoete plassen, ondanks enkele resterende knelpunten tussen beide laagveengebieden in Nederland op termijn.
Watermacrofauna monitoring ten behoeve van herstel en behoud van het Weerterbos
Herstel van vennen in het Weerterbos verbeterde waterkwaliteit en plantengemeenschappen, maar karakteristieke watermacrofauna keerde niet terug, zelfs na zeven jaar. Isolatie, afstand tot bronpopulaties en historische ontwatering beperkten kolonisatie. Beheer moet eutrofiëring voorkomen en prioriteit geven aan minder geïsoleerde vennen voor sneller fauna-herstel, terwijl vegetatie lokaal wel herstelt.
Verkenning herstelmogelijkheden duindynamiek Westduinen (Schouwen)
Dit onderzoek laat zien dat de verdwenen duindynamiek in de Meeuwenduinen het gevolg is van menselijke ingrepen en stikstofdepositie. Grootschalig herstel ontstaat niet vanzelf, maar lokaal herstel is mogelijk via gerichte, gebiedsspecifieke maatregelen en langdurige monitoring, binnen randvoorwaarden van ecologie, erfgoed en kustveiligheid.
Voedselkwaliteit en biodiversiteit in bossen van de hoge zandgronden
Onderzoek toont aan dat stikstofdepositie en verzuring in zandgrondbossen leiden tot verstoring van de eiwitvorming in bomen. Hierdoor verslechtert de voedselkwaliteit voor insecten en vogels, met biodiversiteitsverlies tot gevolg. Herstel vraagt vooral om reductie van stikstofdepositie, aangevuld met zorgvuldige herstelmaatregelen.
Verkennende studie naar de effecten van drukbegrazing met schapen in droge heide
Het onderzoek toont aan dat drukbegrazing met schapen een effectief, minder ingrijpend alternatief kan zijn voor plaggen bij herstel van vergraste droge heide. Succes hangt sterk af van juiste timing, intensiteit en vervolgbeheer. Binnen 5–10 jaar kan soortenrijke heide terugkeren.
Achteruitgang van kenmerkende libellen in vennen
De biodiversiteit in vennen neemt af. Dat is vooral goed te merken aan de libellenfauna, die zeer kenmerkend is voor deze vennen. Vooral is het opvallend dat niet alleen zeldzame soorten achteruitgaan, maar ook de soorten die tot 2010 heel algemeen waren zoals maanwaterjuffer, gewone pantserjuffer, noordse witsnuitlibel en zwarte heidelibel. In dit onderzoek is gekeken naar de oorzaak van de achteruitgang van deze voorheen algemene soorten.
Vervolgmonitoring Korenburgerveen 2024
In het Korenburgerveen zijn sinds 2000 ingrijpende hydrologische maatregelen genomen om het hoogveen te herstellen. Door regenwater beter vast te houden, waterstanden te stabiliseren en de invloed van voedselrijk water te beperken, is gewerkt aan het herstel van typische hoogveencondities met veenmossen en bijbehorende flora en fauna. Kort na uitvoering van deze maatregelen liet onderzoek zien dat vooral de watermacrofauna sterk veranderde, met name in de meest vernatte delen van het gebied. Twintig jaar later is onderzocht hoe deze veranderingen zich op de lange termijn hebben ontwikkeld. Uit deze vervolgmonitoring blijkt dat de watermacrofauna deels is hersteld en dat sommige locaties weer sterk lijken op de oorspronkelijke situatie. Dit wijst op veerkracht van het hoogveensysteem, zelfs tegen de achtergrond van landelijke achteruitgang van insecten. Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat snelle vernatting risico’s met zich meebrengt, omdat niet alle soorten zich even snel kunnen aanpassen.
Herstel vogelkers-essenbos in het Lankheet
Het vijfjarige onderzoek (2005–2010) op landgoed Het Lankheet onderzocht herstel van verdroogd Vogelkers-Essenbos via verhoogde kwel. Hydrologie, bodemchemie en humus verbeterden, maar vegetatieherstel verliep langzaam door dispersiebeperkingen. Elzenbroekbossoorten namen toe, oud-bossoorten beperkt. Conclusie: hydrologisch herstel is effectief, maar volledige vegetatieontwikkeling vraagt tijd, nabijgelegen bronpopulaties en aanvullend beheer.
Herstelexperiment voor Elzenbroek door bevloeiing met oppervlaktewater in ’t Lankheet
Het Elzenzegge-Elzenbroek is sterk achteruitgegaan door verdroging, verzuring en eutrofiëring. Binnen het OBN-programma wordt experimenteel onderzocht of seizoensmatige bevloeiing met schoon, basenrijk oppervlaktewater kan bijdragen aan herstel van gedegradeerde Elzenbroekbossen, met aandacht voor waterregime, bodemchemie en nutriënten.
Herstelexperiment voor elzenbroek door bevloeiing met oppervlaktewater in het Lankheet – Vervolgmonitoring- 2009
Langetermijnonderzoek op landgoed Het Lankheet laat zien dat bevloeiing met basenrijk oppervlaktewater elzenbroekbossen duurzaam kan herstellen. Vooral zes maanden bevloeiing verbetert bodemchemie en vegetatieontwikkeling. Plaggen blijkt geen meerwaarde te hebben; zomerse droogval is essentieel voor succesvol herstel.
Functioneel herstel van schraalgraslanden in het droge heidelandschap
Hoe herstel je biodiverse schraallanden in heidegebieden? Dit onderzoek toont het belang van fosfaatverlaging en aangepast beheer.
Hoe dichten we het doelgat? – Hydrologisch herstel van verdroogde natuurgebieden
Grondwaterafhankelijke natuurgebieden verdrogen door regionale ontwatering, onttrekkingen en klimaatverandering. Deze studie presenteert een methodiek om het hydrologisch ‘doelgat’ te bepalen en via systeemmaatregelen te dichten, toegepast op drie verschillende landschapstypen.
Stuurfactoren voor weerbare laagveensystemen tegen uitheemse rivierkreeft
In dit onderzoek is gekeken welke mogelijkheden natuurbeheerders en waterbeheerders hebben om te werken aan een dergelijk robuust watersysteem. Er is gekeken naar vier potentiële stuurfactoren voor het vergroten van de weerbaarheid van watersystemen tegen uitheemse rivierkreeft onderzocht: (a) voedselbeschikbaarheid en nutriënten, (b) oeverstructuur, (c) predator-prooirelaties en (d) gevoeligheid van waterplanten tegen destructie. Doel van het onderzoek was om meer inzicht te krijgen in de abiotische en biotische factoren en processen die aquatische laagveensystemen minder gevoelig maken voor invasie door rivierkreeften en/of de maximale rivierkreeftenpopulatie in een systeem beperken. Het onderzoek geeft daarmee handvatten voor het herstellen van aquatische systemen.