Aantastingen vennen
Duizenden vennen zijn in de loop van de tijd verdwenen als gevolg van ontginningen. Ook al liggen de overgebleven vennen veelal in natuurgebieden, de kwaliteit van de vennen wordt bedreigd door vermesting, verzuring, verdroging, stijging van de buffercapaciteit, klimaatverandering en de toenemende dominantie van plaagsoorten.
Klimaatverandering
Het klimaat is aan het veranderen. Oorzaak daarvoor is de toename van diverse soorten broeikasgassen, zoals kooldioxide en methaan. Deze stoffen zorgen ervoor dat zonne-instraling in de atmosfeer wordt gevangen en niet meer de dampkring verlaat. De opwarming bedraagt de laatste jaren al gemiddeld 1 tot 2 graden en zal in deze eeuw enkele graden verder oplopen. Ook worden neerslagpatronen onvoorspelbaarder. Er kunnen zowel langdurige droogte als extreem natte perioden optreden. Een derde klimatologisch aspect dat voor vennen relevant kan zijn, is de toename van de kooldioxideconcentratie in de atmosfeer.
Het stijgende CO2-gehalte verzwakt de koolstoflimitatie in vennen die arm zijn aan CO2. Kooldioxide zal vanuit het ven blijven verdwijnen naar de atmosfeer, maar door de hogere atmosferische concentratie gebeurt dat in een langzamer tempo. Experimenteel onderzoek heeft al laten zien dat dit gevolgen heeft voor de vegetatie in wateren die door isoetide waterplanten gedomineerd worden. Het aandeel waterlaag vullende planten neemt toe, ten koste van deze isoetiden. Deze verschuiving is in Nederland nog nauwelijks merkbaar, maar bijvoorbeeld wel in Noorse meren op rotsbodem, die zeer arm zijn aan CO2.
De stijging van de temperatuur kan er toe leiden dat noordelijke soorten zich uit Nederland terugtrekken, denk aan Waterlobelia (Lobelia dortmanna) en Biesvarens (Isoetes spp.). Verder ziet ook de toekomst voor de soms rijke venbegroeiingen op ijsbaantjes er somber uit, omdat verwacht mag worden dat de ijsbaantjes steeds meer in onbruik zullen raken met de toenemende temperaturen in het winterseizoen. Het meest directe effect van een warmer ven is echter dat zowel de productie (plantengroei) als de afbraak in snelheid zal toenemen. In een aantal voedselarme, Drentse vennen is recent een sterke algenbloei waargenomen die vermoedelijk zowel door een afname van de verzuring als door een toename van de temperatuur wordt veroorzaakt (Van Dam en Mertens 2014). Beide processen zijn ook de oorzaak voor de afname van kenmerkende ongewervelden in zure vennen (Van Kleef et al. 2025).
Door de warmere zomers neemt in vensystemen de kans op droogvallen in de zomer toe. Dat is over het algemeen gunstig voor de karakteristieke natuur van de meeste zwak gebufferde vennen. Voor vennen met drijftillen of hoogveenachtige vegetaties is de vergrote kans op droogvallen in de zomer echter ongunstig. Daartegenover staat dat ook de kans op natte zomers toeneemt. Langdurige inundatie van venoevers kan leiden tot interne mobilisatie van voedingsstoffen en vermesting van het ven. Actief stimuleren van waterpeilfluctuaties kan in die gevallen een oplossing bieden (Van Kleef et al. 2014).
- Alkalinisatie & interne eutrofiëring oevers door minder zuurdepositie, nattere jaren (geen droogval) en hogere temperatuur (meer bacteriële activiteit)
- Grondwater ionenarmer en minder zuur door afname zuurdepositie (minder uitloging) en meer neerslag (verdunning)
- Meer kooldioxide door afbraak sliblaag en hogere concentraties in lucht; stimulans voor myriophylliden e.d.
- Meer afbraak organisch materiaal door stijging temperatuur en pH (zie ook punt 7)
- Waterlaag warmer (broeikaseffect), minder zuur, armer aan zwavel en stikstof (minder depositie), sterker bruin gekleurd (meer afbraak organisch materiaal), ionenarmer en soms rijker fosfaat (meer slibafbraak)
- Zuurstofproblemen voor helofyten op sliblagen in voorjaar: meer zuurstofverbruik sliblaag, hogere waterstanden (meer neerslag), sterker bruin gekleurd water, vroeg in het jaar warm
- Betere drijftillen door meer methaanproductie: hogere waterstanden (minder droogval) en lagere zwaveldepositie
- In zure vennen op plekken met lage zwaveldepositie sterke remming van de afbraak van organisch materiaal, waardoor helofyten dieper in water kunnen groeien en macrofauna en microflora van zuurstofrijke wateren gedijen
Verdroging
Verdroging van vennen kan veel oorzaken hebben, zoals:
– Afname van de aanvoer van grondwater
– Daling van het grondwaterpeil, bijvoorbeeld door drainage of toegenomen verdamping in inzijggebied
– Beschadiging van waterondoorlatende lagen. Dit zijn meestal lagen waarop een schijngrondwaterspiegel rust, maar ook kan een venige venbodem wegrotten of worden vergraven
– Versterkte afvoer van oppervlaktewater uit het ven
De verdroging leidt tot lagere waterstanden in de vennen, vaak vooral in drogere perioden. Hierdoor neemt ook de mate van droogval vaak toe, wat verzuring kan versterken. Kortdurende droogval kan leiden tot afvoer van voedingsstoffen, maar bij langdurige droogval komen er veel meer voedingsstoffen vrij uit humusafbraak dan er door stikstofafvoer of binding aan ijzer kunnen verdwijnen. De verminderde aanvoer van grondwater heeft invloed op nog veel meer aspecten van het functioneren van vennen. Dit is weergegeven in onderstaande figuur. Verder heeft verdroging in het inzijggebied ook grote invloed op de kwaliteit van het aangevoerde grondwater. Als in dit gebied veenlagen (tijdelijk) droog komen te liggen, wordt hier vaak veel zwavel gemobiliseerd dat in de vorm van sulfaat in het grondwater oplost. Dit is weer schadelijk voor de instandhouding van drijftillen. Ook neemt de hoeveelheid opgelost ijzer en de mate van buffering van het grondwater door verdroging vaak sterk af.
Bij vermindering van grondwatertoevoer gaan veelal op de oever grondwaterafhankelijke vegetaties achteruit waaronder soortenrijke natte heides en hoogveenvegetaties. In het water kan het aandeel waterlaag vullende planten achteruit gaan wanneer vermindering van de aanvoer van kooldioxide via grondwater plaatsvindt. Drijftillen kunnen verloren gaan in vennen als gevolg van verlagingen van zomerpeilen en/of verlagingen van de buffercapaciteit. Doordat vermindering van grondwateraanvoer veelal ook neerkomt op een vermindering van de ijzeraanvoer kan ook nog vermesting optreden als gevolg van zogenoemde interne eutrofiëring. Tenslotte worden de voor de soortenrijkdom belangrijke overgangen of gradiënten in waterkwaliteit vaak mede in stand gehouden door grondwateraanvoer en deze gradiënten zullen dus vervagen.
Verzuring
Verzuring treedt op de kalkarme zandgronden van nature op, maar wordt in vennen versneld door zure depositie, verdroging of het wegvallen van grondwaterstromen. Omdat de inzijggebieden van de meeste vennen bestaan uit kalk- en mineralenarm zand zijn ook deze door zure regen sterk aangetast. Verzuring heeft vooral in de periode 1950-1980 plaatsgevonden. In het merendeel van deze vennen is de voor verzuring gevoelige flora en fauna vrijwel geheel verdwenen. Bij de start van het programma O+BN, waren van de meer dan honderd groeiplaatsen van Waterlobelia (Lobelia dortmanna) nog maar twee overgebleven!
Verzuring van vennen is vooral een gevolg van de neerslag van zwavel- (SOx) en stikstofverbindingen NOy en NHx. Zwaveloxiden reageren in de lucht tot zwavelzuur, terwijl stikstofoxiden omgezet worden in salpeterzuur. Zwaveloxiden en ammoniak (NH3) reageren samen tot ammoniumsulfaat, dat naast een verzurend effect ook tot vermesting leidt. De verzuring trad vooral op in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. Inmiddels is de uitstoot van verzurende stoffen sterk afgenomen en worden in veel vennen tekenen van herstel waargenomen (Brouwer et al. 2009). Dit herstel werd enige jaren beperkt doordat zich in het sediment zwavel had opgehoopt. Als bodems met zwavel droogvielen, dan vond er verzuring plaats als gevolg van oxidatie van zwavel. Wateren met zwavelrijke sedimenten die periodiek geheel of deels droogvallen kenmerkten zich door een afwisseling van zure fasen na lage waterstanden en gebufferde fasen na hoge waterstanden. Tegenwoordig is de zwavelvoorraad in de meeste vennen zover uitgeput dat er nauwelijks nog verzuring optreedt in perioden van droogval. Wel is vaak het inzijggebied van vennen ontkalkt, waardoor dit geen zwakgebufferd water meer levert maar zuur grondwater en herstel van verzuring onvoldoende optreedt.
Alkalinisatie
Alkalinisatie is de toename van de buffercapaciteit, het tegenovergestelde van verzuring dus. Oorzaken voor alkalinisatie kunnen zijn:
- Aanvoer van sterk gebufferd water naar een ven
- Toename van de buffercapaciteit van het aangevoerde grondwater. Bijvoorbeeld doordat in een kalkhoudend inzijggebied verzuring optreedt en veel kalk oplost.
- Productie van zuurbufferende stoffen door anaerobe afbraak van organisch materiaal. Bijvoorbeeld door interne eutrofiering of door bladinwaai in niet droogvallende vennen
Alkalinisatie kan een zich zelf versterkend proces zijn wanneer de condities gunstig worden voor afbraak van venige venbodems. Dit onder invloed van aanvoer van gebufferd water, sulfaatrijk water, nitraatrijk water, temperatuurstijgingen of door afname van grondwaterinvloed. Deze afbraak leidt zowel tot (interne) eutrofiering als tot (interne) alkalinisatie.
In natte gebieden is de afbraak van organisch materiaal gewoonlijk laag door een lage zuurstofbeschikbaarheid. Bij de afbraak van organisch materiaal komen organische zuren vrij. Door de afwezigheid van voldoende bufferstof in zachte wateren daalt de pH van de bodem waardoor de activiteit van micro-organismen afneemt. Hierdoor wordt de afbraak nog verder geremd waardoor stapeling van organisch materiaal op kan treden (veenvorming). Bij toenemende buffercapaciteit en stijging van de pH wordt de afbraak van organisch materiaal gestimuleerd en kan eutrofiëring optreden. De inlaat van gebufferd water of een toename van de buffercapaciteit van het kwelwater kan dan ook leiden tot een versnelde afbraak van opgehoopt organisch materiaal. Indien de nitraat- of sulfaatconcentratie van het inlaat- of grondwater toeneemt, kan netto buffercapaciteit gegenereerd worden door vorming van onder andere (bi)carbonaat bij de reductie van deze stoffen.
Vermesting
Als de concentraties van plantenvoedingsstoffen toenemen, dan wordt dat vermesting of eutrofiëring genoemd. Als de voedingsstoffen afkomstig zijn van buiten het ven, dan is er sprake van externe eutrofiëring. Het is ook mogelijk dat de voedingsstoffen al in het ven aanwezig zijn en dat ze door biologische of chemische processen vrijkomen. In dat geval wordt er gesproken van interne eutrofiëring. Omdat het venwater en de venbodem van nature arm zijn aan voor planten beschikbare stikstof en fosfaat, resulteert een kleine toename van deze stoffen al in veranderingen in de vegetatie. De beschikbaarheid van stikstof, fosfaat en koolstof is namelijk bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen plantensoorten. Als concentraties fosfor en/of stikstof stijgen, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van karakteristieke soorten.Vaak gaan bij verrijking met stikstof enkele soorten flink uitgroeien en overheersen zoals Knolrus (Juncus bulbosus) in de waterlaag en Pijpenstrootje (Molinia caerulea) op de oever. In de oorspronkelijke venvegetatie treden deze soorten niet op de voorgrond. Als gevolg van de toegenomen plantengroei, en vaak ook de afbraak van venige bodemlagen, vormt zich een sliblaag in het ven. De kale zandige oevers en onderwaterbodems verdwijnen onder die sliblaag.
Fosfaatvermesting leidt in vennen vooral tot algenbloei, slibvorming en dichtgroeien vanuit de oever met Riet (Phragmites australis), Lisdodden (Typha spp) en struweel. De sliblaag bestaat gewoonlijk uit fijnere deeltjes dan in verzuurde vennen. Typische plantensoorten die duiden op verhoogde fosfaatrijkdom zijn onder andere Pitrus (Juncus effusus), Waterpeper (Persicaria hydropiper), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Lisdodde (Typha spp.), Kroos (Lemna spp.), sterrekroos (Callitriche) soorten, Watervorkje (Riccia fluitans), Bitterzoet (Solanum dulcamara) en Waternavel (Hydrocotyle vulgaris).
Voedingsstoffen kunnen terecht komen in een ven door de aanvoer van oppervlaktewater of door atmosferische depositie van stikstof. Ook kan de chemische samenstelling van het grondwater de vermesting beïnvloeden. Daarbij speelt vooral het landgebruik in het inzijggebied een rol. Nutriënten kunnen ook in het water terecht komen door het inwaaien van bladeren of via uitwerpselen van watervogels. Tenslotte spelen ook peilfluctuaties en grondwaterstromen een belangrijke rol in de beschikbaarheid van plantenvoedingsstoffen.
De dikke sliblaag die zich in veel vennen als gevolg van vermesting heeft gevormd, belemmert het herstel van de kenmerkende plantengemeenschappen. Daarnaast zorgt de afbraak van de organische laag voor lage zuurstof concentraties en zuurstofstress bij veel diersoorten.
Stikstofdepositie
Vennen zijn erg gevoelig voor neerslag van grote hoeveelheden stikstof. Enerzijds is stikstof een voedingsstof en beïnvloedt daarmee de concurrentieverhoudingen tussen planten. Anderzijds heeft de depositie van zowel stikstofoxiden (NOy) als gereduceerd stikstof (NHx) een verzurend effect in zwakgebufferde ecosystemen.
Stikstof komt in de atmosfeer terecht als gevolg van emissies uit de agrarische sector. Ook de verbranding van stikstofverbindingen door bijv. auto’s en gebouwen is een belangrijke bron.
De kritische depositiewaarde beschrijft de hoeveelheid stikstof die een ven jaarlijks kan ontvangen zonder dat er grote veranderingen optreden in de levensgemeenschap. Afhankelijk van het type ven varieert de kritische depositiewaarde van 430 mol/ha/jaar in zeer zwak gebufferde vennen tot 785 mol/ha/jaar voor hoogveenvennen. De stikstofdepositie is de afgelopen decennia afgenomen. Toch is de gemiddelde landelijke stikstofdepositie van 1800 mol per hectare per jaar nog steeds veel groter dan de kritische waarden van de Nederlandse vennen. Verwachting is dat de komende jaren de stikstofdepositie de kritische depositiewaarden zal blijven overschrijden.
Landgebruik
Het landgebruik kan op grote afstand de waterkwaliteit van vennen beïnvloeden. Veel vennen worden namelijk niet alleen gevoed met regenwater dat er in terecht komt, maar ontvangen ook grondwater dat enige afstand door de bodem heeft afgelegd alvorens in het ven te komen.
Bossen filteren bij droog weer veel stikstof (droge depositie) uit de atmosfeer wat als nitraat terecht komt in grondwatertoevoer naar vennen. Ook de aanplant van productiebossen met name tot de periode 1950 heeft op deze wijze bijgedragen aan de vermesting. Wel zijn de nitraatconcentraties doorgaans lager dan onder landbouwgronden. De mate waarop bos rond vennen van invloed is, is sterk afhankelijk van de omvang van het inzijggebied. Indien dit klein is lijkt de mate van stikstof invang gering en heeft het bos een positief effect doordat het lokale verdamping vermindert en daarmee bijdraagt aan een stabielere hydrologie.
Het ligt voor de hand dat het landgebruik op percelen die tegen vennen aan liggen een directe invloed kan hebben op de waterkwaliteit van de vennen. Zo kunnen uit landbouwpercelen bij regenbuien nutriënten direct afstromen naar het ven. Ook op afstand kan landbouw effect hebben op de biologie van vennen. Landbouwkundig gebruik gaat doorgaans gepaard met overbemesting en uitspoeling van nitraat naar het grondwater. Nitraat kan op verschillende wijzen leiden tot vermesting. Allereerst is het zelf een plantenvoedingsstof, die door veel planten goed opgenomen kan worden. Daarnaast is het ook een sterke oxidator. Hierdoor wordt ijzer weggevangen uit het grondwater. Als nitraat in het grondwater in contact komt met pyrietafzettingen, dan wordt daarbij sulfaat vrijgemaakt. Zowel nitraat als sulfaat stimuleren de afbraak van organisch materiaal en leiden zo tot interne eutrofiëring. Een positief aspect kan zijn dat landbouwgronden doorgaans ook bekalkt worden en dat grond- en oppervlaktewateraanvoer vanuit landbouwgronden verzuring van vennen kan voorkomen.
- Nitraatuitspoeling (uit landbouw, bos) leidt tot pyrietoxidatie
- Zwavelzuur wordt gevormd, ijzer en ammonium blijven achter
- Sulfaat verdringt fosfaat van ijzer in zuurstofloze sliblaag
- Nitraatrijk grondwater is ijzerarm (ijzerneerslag)
Waterinlaat
Door het steeds voedselrijker worden van onze oppervlaktewateren zijn echter de negatieve kanten van waterinlaat sterk gaan domineren. Directe aanvoer van fosfor en stikstof via het oppervlaktewater kan leiden tot ongewenst hoge concentraties daarvan. Dit water kan worden aangevoerd via slotenstelsels, maar ook via oppervlakkig afstromend water uit aanliggende percelen. Vaak is voedselrijk water afkomstig uit gebieden met landbouwactiviteit. Door het gebruik van meststoffen op de akkers, spoelen nutriënten uit naar aanliggende watergangen die mogelijk met vennen in contact staan.
Het oppervlaktewater in beken en sloten is vaak niet alleen afkomstig van oppervlakkig afwatering, maar bestaat ook voor een belangrijk deel water dat lange tijd in de bodem heeft verbleven. Dit grondwater kan hoge concentraties nitraat, sulfaat en bicarbonaat bevatten. In vennen waar zich organisch materiaal heeft opgehoopt leiden hoge concentraties van deze stoffen tot interne eutrofiëring, doordat zij de afbraak van organisch materiaal in vennen stimuleren. Daarbij komen voedingsstoffen (fosfaat en ammonium) vrij.
Bladinwaai
Op de heide en het stuifzand dat veel vennen omringt is in het verleden vaak bos aangeplant. Dit heeft de hoeveelheid inwaaiend blad bij veel vennen vergroot. Het vermestende effect van struwelen en bos neemt toe naarmate het ven kleiner is. De meeste struiken en bomen laten elk jaar in de herfst hun bladeren vallen en in het voorjaar produceren zij grote hoeveelheden voedselrijk stuifmeel. Zowel de bladeren als het stuifmeel komen in vennen terecht, waar zij direct nutriënten afscheiden aan het water of later als het ingewaaide materiaal wordt afgebroken. Ook kan het water sterk bruin kleuren door het vrijkomen van humuszuren bij de afbraak. Uit het blad komt ook relatief veel zwavel vrij, waardoor giftige sulfiden kunnen ophopen en wortelstelsels van waterplanten afsterven op plekken waar dikke bladpakketten ophopen.
Aan de andere kant kunnen er voor sommige plantensoorten ook voordelen zitten aan enige bladinwaai. Bij de afbraak komt kooldioxide vrij en wordt zuur geconsumeerd. In niet droogvallende vennen is dit een voordeel voor soorten van gebufferde vennen die relatief rijk zijn aan CO2.
Een geringe hoeveelheid inwaaiende bladeren kan ook voor fauna gunstig zijn. Zo blijken kokerjuffers van de genura Limnephilus en Glyphotaelius bladeren van eik, vuilboom en berk te gebruiken als voedsel en voor de bouw van hun kokertjes. Deze soorten vormen op hun beurt weer het primaire voedsel van andere ongewervelden, waaronder de sterk bedreigde Brede geelgerande waterroofkever waarvan de larven uitsluitend kokerjuffers eten. Bovendien vormt struweel langs vennen schuilgelegenheid voor allerlei diersoorten en biedt het een nectarbron (m.n. wilg) in jaargetijden waarin weinig ander voedsel beschikbaar is.
Watervogels
Watervogels zijn een beruchte bron van meststoffen in vennen. Vermesting door uitwerpselen wordt ook wel guanotrofiëring genoemd. Vroeger waren het vooral meeuwen die in grote aantallen op vennen broedden en daar voor vermesting zorgden. Zij profiteerden van de veilige broedplekken in de vennen waar predatoren moeilijk bij kunnen, zoals drijftillen en pollen van pitrus en pijpestro. Voor hun voedsel waren zij enerzijds aangewezen op omliggend boerenland, maar vooral ook van niet afgedekte vuilnisbelten. Toen vuilstortplaatsen werden afgedekt en verdwenen, zijn ook de kokmeeuwen van veel vennen verdwenen.
De afgelopen decennia hebben zich op veel vennen en veentjes ganzen gevestigd. Dit betreft zowel inheemse Grauwe ganzen (Anser anser) als uitheemse Canadese ganzen (Branta canadensis). Doordat de ganzen op korte afstand van de vennen in het agrarisch gebied toegang hebben tot voedselrijke foerageergronden, kunnen zij in de vennen onnatuurlijk hoge dichtheden bereiken. Doordat de ganzen veel tijd op de vennen doorbrengen, transporteren zij nutriënten van de landbouwgebieden naar de vennen.
Plaagsoorten
Met enige regelmaat worden de Nederlandse vennen bevolkt door plaagsoorten. Vaak zijn dit uitheemse soorten die in de vennen bijzonder talrijk weten te worden en daar andere soorten wegconcurreren of opeten. Echter ook sommige inheemse soorten kunnen plaagvormend in vennen voorkomen. Een voorbeeld daarvan is de Kokmeeuw (Larus ridibundus) die nog niet zo lang geleden grote kolonies op vennen en in hoogveenrestanten had. Een meer recente inheemse plaagsoort is de Grauwe gans (Anser anser), die samen met zijn uitheemse broertje de Canadese gans (Branta canadensis) inmiddels veel vennen heeft gekoloniseerd. Onder de plantensoorten zijn Knolrus (Juncus bulbosus) en Pijpenstrootje (Molinia caerulea) bekende voorbeelden van inheemse plaagsoorten.
Een klein aantal uitheemse soorten zorgt voor overlast in vennen. Twee uitheemse vissoorten die in vennen talrijk kunnen worden zijn de Zonnebaars (Lepomis gibbosus) en de Amerikaanse hondsvis (Umbra pygmea). Ook komen er in vennen twee uitheemse waterplanten voor, die in staat zijn andere soorten te overwoekeren. Het gaat om Ongelijkbladig vederkruid (Myriophylum heterophyllum) en de Watercrassula (Crassula helmsii).
Beheer en bestrijding van deze soorten is vaak erg arbeidsintensief en bovendien niet erg effectief als hun populaties zich herstellen.
Zonnebaars
De zonnebaars (Lepomis gibbosus) is een Noord-Amerikaanse vis, die steeds vaker in vennen en andere stilstaande wateren wordt aangetroffen. Opvallend is dat de soort erg talrijk kan worden in vennen waar herstelmaatregelen tegen verzuring en vermesting zijn genomen. Zonnebaarzen zijn roofvissen die leven van ongewervelden en amfibieënlarven en hebben een grote negatieve invloed op populaties van deze soorten. Het succes van zonnebaars in vennen blijkt vooral te wijten, aan de afwezigheid van inheemse predatoren, zoals de Snoek (Esox lusius) (Van Kleef 2012).
Amerikaanse hondsvis
Al meer dan honderd jaar komt de Amerikaanse hondsvis (Umbra pygmea) in de Nederlandse vennen voor. Opmerkelijk is dat de soort zich in Brabant en Limburg in veel wateren heeft gevestigd, maar elders in het land slechts op een enkele plek voorkomt. De soort blijkt bijzonder tolerant te zijn voor een lage pH en heeft als een van de weinige vissoorten de periode van extreme verzuring overleefd. Een bijzondere eigenschap van de soort is, dat hij in staat is om adem te halen via de zwemblaas. Dit maakt de soort minder gevoelig voor zuur water, wat schadelijk is voor vissenkieuwen. Tevens is de Hondsvis hierdoor in staat om perioden van zuurstofstress en gedeeltelijke droogval te overleven.
In vennen en hoogveenrestanten kan de Hondsvis bijzonder talrijk voorkomen en door predatie op ongewervelde dieren de aantallen van deze organismen sterk reduceren. Het is opmerkelijk dat, ondanks de ecologische schade die de soort aanricht in vennen en hoogvenen, er geen enkele beheerservaring is met bestrijding van de soort. Vermoedelijk is de soort nog lastiger te bestrijden dan de Zonnebaars. De Hondsvis is namelijk enigszins bestand tegen perioden van droogte. En door zijn verborgen levenswijze tussen planten is hij moeilijk te vangen door zowel mens als predator.
Ganzen
Twee soorten ganzen komen in vennen in grote aantallen voor: de inheemse Grauwe gans (Anser anser) en de uitheemse Canadese gans (Branta canadensis). Beide soorten gebruiken de vennen om te broeden en om te rusten. Foerageren doen ze vaak buiten de vennen in het omliggende agrarische gebied. Ganzen hebben een inefficiënt spijsverteringsstelsel. Hierdoor wordt een groot deel van het voedsel dat zij tot zich nemen, weer uitgepoept. Helaas gebeurt dit vaak op de plek waar zij rusten. Voor de voedselarme vennen zijn de ganzen daardoor een belangrijke bron van vermesting. Op de oevers waar de ganzen rusten wordt de oorspronkelijke vegetatie vertrapt en door de mesttoevoer kiemen hier snelgroeiende soorten, zoals Grote wederik (Lysimachia vulgaris) en Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum). In het doorgaans heldere water kan zelfs bloei van giftige blauwalgen optreden.
Ongelijkbladig vederkruid
Aan het eind van de vorige eeuw werd in veel zwak gebufferde wateren, vooral kanalen, een vederkruid gevonden dat niet bloeide en daarom ook niet met zekerheid op naam kon worden gebracht. Toen dit in het Zwarte water bij Venlo uiteindelijk wel het geval was, bleek het te gaan om Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum). In dit ven bleek deze plant in staat om alle andere waterplanten te verdringen, zelfs Knolrus. De uitbreiding naar andere vennen is tot nu toe relatief beperkt gebleven. Het is nog niet geheel duidelijk onder welke omstandigheden dit vederkruid zo kan gaan woekeren. In het Zwarte water is de soort inmiddels weer sterk achteruitgegaan.
Watercrassula
Deze vetplant uit Nieuw Zeeland werd in Nederland voor het eerst aangetroffen in een Brabants ven, het Padvindersven. Daar werd de soort snel met succes verwijderd om na 15 jaar weer te verschijnen. Enkele jaren later duikt het kleine plantje op diverse plekken in Nederland op. Dat gebeurt vooral in wat voedselrijkere poelen en sloten, maar ook in vennen. Op veel plekken overwoekert de Watercrassula (Crassula helmsii) andere laagblijvende soorten en bedekt hele venoevers en grote delen van de het water. Het is bijzonder onfortuinlijk dat dit juist gebeurt in vennen waar met veel moeite van beheerders de kenmerkende levensgemeenschappen zijn hersteld.
Watercrassula verspreidt zich met beheerapparatuur, recreanten en watervogels.